Wikia


De ScheppingEdit

Deel I: Het UniversumEdit

In den beginne, was er alleen God.

Er was nog geen materie, geen energie, geen beweging. Er was zelfs geen leegte, die met de dag van vandaag, de aarde en de sterren scheidde, want zelf de leegte is iets. Nee, waar Het uit bestond, was het Niets. Hier wordt niet met bedoeld dat er niets was, want als we zeggen dat er iets ontbreekt, dan weten we dat de mogelijkheid bestaat dat het er is. Het Niets is dat zelfs het idee van het bestaan er niet is. Alleen voor God.

Maar God is machtiger dan alles, zelf dan het Niets. Hij heeft geen begin noch einde. Hij is dus Oneindig en Eeuwig. Hij is het Perfecte Wezen, op wie niemand vat kan krijgen. Voor Hem is alleen een simpele gedachte nodig om iets van het Niets naar het Bestaan over te laten gaan, en een andere simpele gedachte om het weer van het Bestaan naar het Niets te laten gaan. Alles is Hem dus mogelijk en alles komt dus van Hem.

God is de Eerste Materie waarvan alles is geschapen. De materie, de energie, de bewegingen en de tijd zijn allen een element van God. Alles wat bestaat, zelfs het Niets, is een deel van Hem. Hij is eveneens de Schepper van alles. Het is Hij die maakt alles wat bestaat en die zijn vorm en inhoud geeft. Hij is uiteindelijk de Zeer-Hoge, want Hij is de reden voor alles wat bestaat, en daarbij het Niets.

Dit gezegd, God weet alles, want de wijsheid behoord bij hem, gemaakt door Hem en zijn reden gevonden in Hem. We zeggen ook dat Hij alwetend is. Daarbij, Hij is overal want, waar wij ook gaan, wij vinden ons altijd terug in Hem. Wij benoemen Hem als alomtegenwoordig. Uiteindelijk, Hij kan overal handelen, overal zijnde en alles wetende, niets kan zijn daad hinderen.

God dacht en een zeer klein stipje verscheen. Aldus, bij de schepping van dit kleine en enige kleine puntje, heeft Hij het Niets laten verdwijnen. Voortaan, zal Hij samengesteld zijn met Bestaan en leegte, maar geen Niets meer. Hij besloot dit zeer kleine stipje universum te noemen en liet het exploderen in een ontelbare hoeveelheid sterren, die de leegte kwamen bevolken. Nooit meer, zullen zij nog stoppen met schijnen in het hemelse uitspansel.

Toen schiep God de twee bewegingen: de zware dingen zullen naar beneden gaan en de lichte dingen omhoog. Hij schiep eveneens de vier elementen. De zwaarste was de aarde. Toen kwamen water, lucht en vuur. Hij zette ze in hun rangorde van de zwaarste naar de lichtste. De aarde bevond zich in het midden. Zij werd bedekt door water die zelf weer bedekt werd door lucht. En als laatst werd het geheel door het lichtste bedekt, vuur.

Deze bol van materie noemde God; Wereld. Om de bewegingen in werking te stellen, besloot Hij om de elementen door elkaar te gooien. Hij plaatste het vuur in het midden van de aarde en het water in de hemel, boven de lucht. De elementen bewogen, afwisselend door orde en verwarring. God was blij om te zien hoe Zijn schepping in beweging kwam en probeerde in een goede rangorde van zwaarte te komen.

Deel II: Het LevenEdit

Maar God was perfect, zoals Zijn schepping niet perfect was. Maar zoals Hij overtuigd van Zichzelf was, was Zijn creatie onwetend. Maar zoals Hij zelf beslistte wat Hij deed, nam Zijn schepping alleen maar over. Maar zoals Hij in staat was om te maken, nam Zijn creatie alleen maar genoegen met zichzelf. Maar zoals Hij Zijn schepping wou liefhebben en geliefhebben worden, was deze daar niet toe in staat.

God nam bijeen al de liefde die Hij in Zich had. Hij maakte daarvan de geest, die niet aangeraakt kon worden, noch zichtbaar kon zijn, noch geroken kon worden, noch geproeft kon worden, noch gehoord kon worden, want deze was anders dan de materie. De Zeer-Hoge deed de materie en de geest te samen, zodat deze laatste een harmonie met de aarde kon vormen, en Hij noemde het; leven.

Maar het leven was niet perfect. Zelfs deze gemaakt te zijn door God en uit Hem ontstaan te zijn, was deze Hem niet helemaal. Haar mogelijkeden om te kiezen waren beperkt, omdat zij niet een oneindige kennis en macht bezat. Haar mogelijkheden om te voelen, waren eveneens beperkt, want zij bestond uit materie, neutraal en onpersoonlijk. Maar God wou het leven liefhebben en dat ook terug verwachten.

Maar, zodat God en het leven elkaar konden liefhebben, was het noodzakelijk dat deze laatste zich alsmaar dichterbij de goddelijke perfectie kon begeven. Want zij was incapabel om deze te evenaren. De Zeer-Hoge, maakte dus een derde beweging: de betere dingen zouden zich een weg naar God banen. Zodus, de materie, waarvan het leven was gemaakt, was een zwaar ding, want zij ging naar onder. Maar omdat zij ook bezeten was van de geest, die een superieur iets was, deed haar naar de goddelijke perfectie toekomen.

En op de wereld, nam het leven een oneindigheid aan vormen aan, van de kleinste tot de grootste. De planten vulden zich met het licht der sterren, zo dekkend de wereld van een groene laag. De dieren liepen of vlogen door en tussen de planten. En dus, toen God onbewegelijk leek, was het leven in volle bloei. Inderdaad, God, Zijnde eeuwig, was niet verplicht tot beweging die het er toe maakte dat het leven in beweging was. Hij leek dus onbeweegbaar. Maar Hij hield van de bewegelijkheid van het leven daar op aarde, Zijn Schepping.

Maar God had het leven niet gemaakt om een oneindige kracht te zijn en, om het leven te laten leven, moesten de dieren de planten eten, de roofdieren de prooien verslinden, en dat de kadavers van de dode dieren de planten laten groeien. Zodus, de dood was een van de karakteristieken van het leven. Maar om Zijn Creatie niet te laten uitsterven, scheidde God iedere soort in twee aanvullende principes, die Hij mannelijk en vrouwelijk noemde. Beiden waren gelijk en moesten elkaar vinden om zich te binden, en zo het leven voort te zetten.

Toen, van het leven, schiep God de tijd, waar de dood na het leven komt, en leven voor de dood. Ook, bereikte het water de lucht om later neder te vallen op de aarde en de rivieren te laten vloeien, en het vuur kwam uit de vulkanen om de aarde te voeden, die zich vermenigvuldigde en het vuur ook leven gaf. De gehele wereld was één in de beweging van het leven, toen God onbewegelijk leek, ontsnappend aan de tegentrijdigheden der tijd.

Deel III: De SchepselenEdit

Een groep van deze schepsels die het leven samenstellen, besloot om de wereld te doorlopen om de andere soorten te ontdekken, zowel dierlijk als plantaardig. Ieder nam zijn zak op zijn rug en doorliep de wereld, geduwd door de ontdekkingsdorst die hem deze beslissing had laten nemen.

Zij maten dus de wereld. Zij beklommen de groene heuvels en reusachtige bergen. Zij staken ravijnen over, dronken in rivieren, rusten uit in weiden. Zij proefden alles wat mooi en zacht was en wat het leven te geven had. Aldus proeften zij aan de smaak van honing en vruchten. Zij maakten zich dronken in de geur van de bloemen. Zij bewonderden de zonsopkomsten en de regenbogen.

God, in Zijn oneindige perfectie, had van het leven een wonder gemaakt, een heerlijkheid voor degenen die het konden proeven. Maar alle schepsels konden dit geschenk niet aan zijn rechtvaardige waarde beoordelen. Aldus werd de kleine groep verrast telkens als deze nieuwe soorten ontmoette. Elk van hen was van talenten voorzien die ze uniek maakten. Aldus kon de kleine groep bewonderen hoezeer God het leven van een oneindige afwisseling rijkdommen had voorzien. Elke soort was de gelegenheid voor elk van hen om de bijzonderheden ervan te bewonderen.

Aldus ontmoetten zij koeien. Deze, die kalm graasden, gaven melk aan hun jongen. Verder, kwamen zij dichtbij een bedekte vlakte met tarwe, die onder het briesje golfde, vervolgens kruisten ze op weg talrijke schapen met een zachte witte vacht, die eveneens vredig graasden. Blijvend op de wereld voortgaan, hoorden zij de vrolijke kleine stemmetjes van de vogels. De ogen naar de hemel opheffend, zagen zij ze draaien onder de zachte witgekleurde wolken, terwijl de blauwe hemel door de zonnester belicht werd.

Zij hielden zich een moment op om smaakvolle groenten te proeven, die van vormen, geuren en smaken verschillen en wedijveren. Gedurende hun maaltijd, konden zij galopades van verschillende paarden volgen waarvan de manen in de wind vlogen. Verder, naderden zij een meer en zagen vissen spelen zonder op te houden. Niet ver van de kust wortelde een bos van reusachtige eiken waarvan de takken als een reusachtige koepel van groene bladen over de grond hing.

Verder, zagen zij een gierstveld waarvan de aren zich met zon volstopten. Enkele varkens die zich er bevonden, waren bezig om zich ermee te voeden. Maar al deze schepsels verrasten alleen maar de kleine groep door niet enkel de afwisseling van hun natuur, maar eveneens door een verwarrender gemeenschappelijk aspect.

Immers had iedereen als punt van overeenkomst, zich te roemen als de verkozen soort van God te zijn. Hun talenten waren de reden die zij allen naar voren brachten. De koeien roemden hun talrijke nakomelingen, schapen hun wol, vogels hun vleugels, paarden hun snelheid, vissen hun bezit van de zeeën dat grootste gebied van de wereld is, de eiken hun levensduur zonder gelijke, tarwe, gierst, de vruchten en de groenten met hun gevarieerde smaken en hun geuren, varkens hun krachten...

Deel IV: De TwijfelEdit

De kleine groep besloot om een moment te stoppen. Zij installeerden zich op een groene heuvel, waar schitterende bloemen stonden die de honingbijen melken kwamen. Een licht briesje kwam het gras buigen. De vogels zongen. De sterren kwamen de schepsels belichten terwijl zij hun zakken op de grond legden en in een kring gingen zitten. De sfeer was gemelijk, want zij stelden zich dezelfde vraag.

Alle soorten die zij hadden ontmoet was van een bijzonder talent voorzien. De koeien, de schepsels die het gras kalm graasden, hadden een talrijke familie. De schapen hadden een zachte en omvangrijke wol. De vleugels van de vogels dienden hun om de wereld te doorlopen door te vliegen. De paarden, edel en onstuimig dierlijk, galoperend met de snelheid van de bliksem. De vissen waren de meesters van de uitgebreide oceanen. De varkens waren machtig en wild.

De planten waren zelfs van enige talenten voorzien. De eiken waren van een levensduur voorzien die niets had om aan hun omvang te benijden. De tarwe vermenigvuldigde zich als deze daar zin in had, die brede gebieden bedekte. De gierst had zijn aren, die met leven worden volgestopt. De vruchten hadden een heerlijke gezoete smaak en de groenten aantrekkelijke geuren. En de kleine groep stelde zich vragen. Maar waarom had hun soort geen enkel bijzonder talent?

Weliswaar hadden de schepsels van de kleine groep handen, maar hun kracht evenaarde die van het varken niet. Weliswaar hadden zij benen, maar zij brachten ze niet zo ver als de vogels en niet zo snel als de paarden. Weliswaar konden zij verwekken, maar niet zoveel als de koeien of de tarwe. Weliswaar waren sommige behaard, maar het was een erbarmelijk weinig in vergelijking met de wol van de schapen, en het was nog minder te gebruiken.

Weliswaar waren zij vol van leven en gezondheid, maar wel minder dan de gierst, de vruchten en de groenten. En zij durfden zelfs niet zich met de levensduur en de omvang van de eiken te vergelijken. Al deze schepsels, dierlijk en plantaardig, hadden ernstige argumenten om te verzekeren, zoals zij het ook zeiden, dat zij door God werden verkozen. Hun talenten waren uniek. Toen probeerde de kleine groep zich een talent te bevinden dat eigen aan hun soort was.

Hun soort hield zich staande. Maar welk voordeel gaf dat hen? "Geen enkel", in koor antwoordden alle leden van de groep. Hun handen dienden hun om werktuigen te bouwen, maar het was om het gebrek aan klauwen of andere organen te compenseren. Aldus was hun maag zo zwak dat zij het vlees moesten koken om het te eten. En hun ogen waren zo weinig doordringend, in tegenstelling tot de katten of de uilen, dat zij zich in het donker moesten verlichten. Hun haar was te dun zodat zij zich moesten beschermen wanneer het regende, er sneeuw of hagel viel of wanneer de wind te hard blies.

Ontdekkend deze negatieve constatering, zetten de schepsels van de kleine groep zich tot huilen. Zij waren ervan overtuigd dat hun soort het minst maar dan ook het meest gewild van God was, dat Hij ze minachtte, dat zij de droesem van Zijn oprichting waren. Een stilte vestigde zich, zodat iedereen zich aankeek, zoekend in de ogen van ieder een antwoord op de talrijke vragen die zij zich stelden. Maar deze blikken hadden geen enkel antwoord. Zij waren ondergdompeld met tranen.

Maar een van hen was anders dan de groep gebleven. Hij keek naar de sterren. Alle leden van de groep verwaarloosden hem, hem beschouwend als gering van geest. Hij antwoordde hun vaak "Gelukkig de armen in geest...", maar kon slechts aan dit antwoord enkel toevoegen. Nochtans van iedereen, was het de enige die zich afvraagde wat God verlangde, in plaats van zich te bekommeren over hun lot. Deze man heette Oanyus.

Deel V: De BijeenkomstEdit

God keek naar de kleine groep schepselen die aan het huilen was, en was geraakt. Zij voelden zich door Hem verlaten, omdat ze niet behept waren met een uniek talent. Ze waren zelfs gaan geloven dat Hij hen haatte, terwijl hij juist van elk individueel lid van zijn schepping hield met een perfecte liefde. Zij maakten deel van Hem uit, en hen haten zou betekenen dat hij een deel van zichzelf zou haten. Hij had het universum geschapen, de wereld, en al het leven om het lief te hebben, en dat deed hij ook.

Met deze liefde, had God elke soort uitgerust met een uniek talent zodat ze allemaal hun eigen speciale plek konden vinden in Zijn schepping. Maar dit prachtige geschenk bleef onzichtbaar voor de ogen van de kleine groep. Deze mensen, waaruit de groep bestond, waren bevangen van twijfel, en bleven blind voor Zijn liefde. Hun tranen waren oprecht maar onterecht. Zij vroegen alleen om liefde van Hem, maar zagen niet dat Hij hen al reeds lief had.

De andere soorten waren reeds bewust van hun geschenk, maar begrepen de reden ervan niet. Ze dachten allemaal dat zij de enige waren die een dergelijk geschenk hadden gekregen. Sommigen dachten dat alleen kracht een geschenk van God was. Anderen maakten dezelfde fout met snelheid, hun vele nakomelingen, wol, de kunst van het vliegen, of het territorium dat door Hem aan hen was toegewezen. Ze beschouwden zichzelf als de enig bevoordeelde door Hem en geloofden dat zij de uitverkorenen waren.

Maar deze man die Oane gemoemd werd, droeg de kiem in zich van het talent dat God aan de mensen had gegeven. Langzaam werd hij zich bewuster van de echte liefde die God koesterde voor zijn schepping. Hij begon te beseffen dat God hield van elk onderdeel van de schepping, maar hij wist nog niet waarom. Hij spendeerde zijn tijd met het kijken naar de sterren, in de hoop het Meest Hoge, te vinden, maar hij wist nog niets van God’s alom zijnde aanwezigheid.

Toen besloot God dat het tijd was om een echte plek te maken in het universum voor een soort die het in zich had om de liefde te begrijpen, de enige echte betekenis van het even. Hij vond dat al Zijn schepselen hun liefde voor Hem moesten bewijzen. Daarom besloot hij dat alle schepselen van de wereld moesten samenkomen op een plek waar hij ze zou vragen wat het leven was. Wat hij met ze zou doen was afhankelijk van hun antwoorden.

Met een enkele gedachte van God, wisten alle schepselen van de hele wereld van de goddelijke samenkomst. Zonder te wachten gingen zij op weg. Er was een enorme groene vlakte op een groen continent. Het was daar dat de hele wereld zou samenkomen om de goddelijke vraag te aanhoren. Het was daar dat het geloof van het universum zou worden bepaald.

Het duurde vele jaren om zoveel verschillende schepselen bi elkaar te brengen. Niet allen overleefden deze reis, maar niemand had de intentie om terug te keren. God had hen vervuld met een niet te onderdrukken verlangen om de grote samenkomst der schepselen bij te wonen. Ze staken de diepste zeeën over en de hoogste bergen, gletschers, woestijnen en zoveel andere moeilijke plaatsen. Ondanks dat leefden ze door, stierven, aten en plantten zich voort, maar nooit zonder vooruit te komen.

En uiteindelijk brak de dag aan dat alle schepselen samen waren gekomen.

Deel VI: De VraagEdit

Het was de grootste samenkomst van schepselen die ooit had plaatsgevonden.

Er waren wel een aantal miljard wezens die waren samengekomen op de zelfde uitgestrekte vlakte. Ze waren daar samen zonder enige vijandschap. De wolven wachten naast de schapen, de honden naast de katten, de arenden naast de muizen, en de leeuwen naast de gazelles. Zelfs de planten waren aanwezig. Eiken, Abelen, Populieren, Olijfbomen, Appelbomen, Dadelpalmen, en andere bomen vormden een enorm bos zonder weerga. De bloemen, de groentes, het fruit, het koren en de maïs waren ook aanwezig. De gigantische vlakte was een waarlijk heiligdom voor al het leven, want zij wachtten daar allen geduldig op de komst van God.

Toen donderde het, de wolken braken, en een zacht licht dat uit de ruimte kwam, verlichtte de hemel. een grote stilte viel over de samengekomen schepselen. vanuit het hemelse schijnsel hoorde men een strenge, doordringende, maar toch zachte en serene stem. De stem zei: “Luister naar mij, u allen die Ik heb geschapen, want ik ben uw God. Zonder Mij, zouden jullie niet bestaan, en aan Mij dient u trouw te zijn.”

God vervolgde: “een aantal onder jullie claimen Mijn uitverkorenen te zijn, maar nog nooit heb Ik Mijn voorkeur naar een van jullie uitgesproken boven anderen. De tijd is aangekomen dat dat gaat veranderen. De tijd is aangebroken dat Ik een keuze ga maken tussen Mijn schepselen. De tijd is aangebroken dat ik een soort ga benoemen tot Mijn kinderen. Om deze keuze te kunnen maken, zal ik jullie een vraag stellen.

God vroeg hen toen: “Jullie leven dankzij Mij, want ik ben jullie schepper. Jullie voeden jezelf, jullie planten je voort, jullie voeden jullie nakomelingen op. Maar jullie weten niet waarom jullie leven. Wat is volgens jullie, de reden dat ik aan het leven heb gegeven?”

De meerderheid van de schepselen konden niet antwoorden. Ze keken elkaar aan, in de hoop het antwoord te vinden op deze rare vraag in hun buur. Men zag een vis die gelukkig bleef, zonder te weten wat te zeggen. Een paard wreef over de grond met zijn voeten. Een eik boog, hopeloos zoekende naar het antwoord in zijn wortels. En zelfs een hond krabde op zijn hoofd in een feflex.

Maar een van hen trad naar voren. Het leek zeker van zeichzelf en zijn antwoord. Al de andere soorten maakten de weg vrij voor hem en al snel ontstond er een ruimte om hem heen. Het sloeg zijn ogen op in de richting van God, maar zijn blik was vol vertrouwen. Het antwoordde: “U maakte de schepselen bewegend zodat ze zichzelf konden voeden. U maakte de sterken om de zwakken de verschuren. Zonder twijfel, is het een vraag van de dominantie van de sterkeren over de zwakkeren!”

Het vervolgde: “Mijn bewijs is dat ik de laatste van mijn soort ben. alleen de aller sterkste van ons overleefde. Als U mij Uw kind noemt, zal ik U laten zien wie, van alle schapselen, de wereld moet domineren.

Het wachtte tot dat God hem zou feliciteren met zijn antwoord, maar het was tevergeefs. Want Hij antwoorrde hem niet.

Deel VII: De LiefdeEdit

God gaf geen antwoord aan het wezen dat de dominantie van de sterken over de zwakken had verdedigd.

Hij wendde zich tot een andere groep schepselen. Het was precies die groep die uit mensen bestond die de wereld hadden doorkruist. God wist dat deze groep geloofde dat zij door God werden afgewezen. Deze mensen dachten dat zij elk talent ontbeerden. Zij geloofden dat zij het uitschot van de schepping waren als gevolg van hun veronderstelde inferioriteit. Maar onder hen, de man met de naam Oanyus droeg, zonder het zeker te weten, het antwoord in zich op de vraag die de Meest Hoge gesteld had.

Omdat Oanyus twijfelde, keek hij vaak naar de sterren, in de hoop God te zien. Hij hield van God met een oprechte liefde, maar hij wist niet of dat de echte betekenis van het leven was. Hij wilde zijn antwoord graag geven, maar zijn groep beschouwde hem als zwak van geest en niemand liet hem spreken. Maar God was omnipotent. Hij had de groep klagende mensen gehoord. Maar boven alles, had Hij de liefde en de twijfel in het hart van Oanyus begrepen.

Toen, kwam er een lichtstraal uit de hemel die scheen op Oanyus. Alle schepselen waren verbaasd, en bewonderden het zachte licht, dat de mens bescheen. Ze gingen allen opzij, en lieten hem alleen tegenover het aangezicht van God. Hij aanschouwde zijn verlichte lichaam vol verbazing. Toen wendde hij zich tot de andere leden van zijn groep. Voor de eerste keer in zijn leven zag hij geen minachting in hun ogen, maar respect.

En God vroeg hem: “En jij, mens, heb jij geen antwoord voor Mij? Ik heb hier Mijn hele schepping bijeen gebracht om diegene te ontmoeten die Mij het goede antwoord kan geven op Mijn vraag. Jij kwam en jij gaf geen antwoord. Dan draag Ik u nu op om te antwoorden”. Oane, bang geworden door de strenge toon van zijn schepper, sloeg zijn ogen naar Hem op en zei gehaast: “Maar, Meest Hoge, ik weet niet of mijn antwoord goed is”. En God beval hem: “Zeg het Me en Ik zal je antwoorden!”.

Toen zei Oane: “U maakte het mogelijk dat Uw schepselen zich met elkaar voeden. Zij moeten gaan jagen en doden om in leven te blijven. Op dezelfde wijze moeten zij vechten en hun leven verdedigen. Maar geen enkel is de ultieme sterkste of zwakste. Niemand is altijd hoger of lager dan de anderen. Wij zijn allen gelijk in het leven en we zijn allen Uw nederige dienaars. Want U bent onze schepper.

“Daarom gaf u de meest mooie talenten aan al Uw schepselen. Elk heeft zijn eigen plaats in Uw schepping. Hun talenten maken het hun mogelijk op die plaats te vinden. Dus, er is geen enkel schepsel dat uw voorkeur heeft, Oh Meest Hoge. U houdt van ons allen op een zelfde manier en evenveel en wij allen moeten U daarom liefhebben. Want zonder U, zouden we niet bestaan. U schiep ons, zonder dat U daartoe verplicht was en wij moeten U liefhebben uit dank voor Uw gebaar.”

“Wij zijn natuurlijk verbonden met de materie, onderworpen aan haar wetten, maar ons doel is om naar U te gaan, de Eeuwige Geest en het Perfecte. Daarom, is liefde het doel dat U gaf aan het leven, naar mijn mening”. Toen zei God: “mens, aangezien jij de enige bent die heeft begrepen wat liefde is, maak ik jouw soort tot Mijn kinderen. Aldus weet je dat jullie talent is dat je Mij kunt liefhebben en elkander. De andere soorten kunnen enkel zichzelf liefhebben.”

Deel VIII: De BeslissingEdit

Alle andere schepselen waren verbaasd door de beslissing van God om de mensen tot Zijn kinderen te maken. Zij begrepen de liefde niet en konden daardoor ook niet bevatten dat de Meest Hoge God daar zo’n belang aan hechtte. Ze begonnen onder elkaar te fluisteren, in de hoop dat een van hen deze goddelijke keuze kon uitleggen.

Maar God richtte zijn stem in de richting van de schepselen die niet in staat waren geweest Hem het antwoord te geven. Hij zei tot hen: “Jullie, die Mij niet konden antwoorden, en toch claimden door Mij bevoorrecht te zijn. Jullie geesten zullen niet meer van hogere orde zijn. Zij zullen niet meer naar Mij voeren. Van nu af aan zullen jullie toebehoren aan de mens, jullie natuur zal uitsluitend uit het materiele bestaan. Ik ontneem jullie de taal. Jullie zullen blaten, loeien, grommen. fluiten, miauwen of blaffen, tot het einde der tijden!”

Toen richtte God zijn stem naar het schepsel die de overheersing van de sterken over de swakken had verkondigd. Hij zei tot hem: “Omdat jij zo zeker bent van je keuze, geef ik je de mogelijkheid het te bewijzen. Jij zult je geest behouden, maar je lichaam zal uit schaduw bestaan. Aldus zul le leven, alleen tussen de mensen, totdat ik je verlos van je leiden. Niemand zal je zien en iemand zal je naam noemen, omdat Ik beslis je niet te zien, noch te noemen.”

God richtte toen zijn stem in de richting van Oanyus en zei tot hem: “Ik heb jouw soort tot Mijn kinderen gemaakt. Ik maak nu uw geesten tot zielen. Zij zijn anders dan de geesten van de andere schepselen en van nu af aan zullen zij de enige zijn van een hogere natuur, en neigen naar Mijn goddelijke perfectie. Ik deel de tijd in zeven delen, die ik dagen noem, zodat op elke zevende dag jullie bijeenkomen om je Vader te eren: Mij.” “Maar het blijft noodzakelijk dat jullie en jullie soort, elke dag werken om jullie soort in stand te houden. Behalve degene die ik niet noem, heb Ik alle schepselen ondergeschikt gemaakt aan jullie. Zo kunnen jullie je voeden met hen, zonder dat zij zich met jullie voeden. Deze mogelijkheid die jullie hebben om je met de andere soorten te voeden, noem Ik “werk”. Maar, opdat jullie nooit vergeten dat dit een geschenk van Mij is aan jullie, voor het goede antwoord dat Oanyus Me gegeven heeft, zal het werk zwaar, moeilijk, pijnigend en vermoeiend zijn. Ben echter niet bedroefd over dit leiden dat ik jullie ten laste leg, in werkelijkheid is het een goede en mooie gave die Ik jullie geef.”

“Opdat jullie in de komende generaties diegene vervangen die hun leven laten, geef Ik jullie een nog mooiere gave. Deze liefde die Ik van jullie verwacht, kunnen jullie ook tegenover elkaar uiten, in paren. Wederzijds tederheid en verlangen zullen de onderdelen zijn van dit pure gevoel, en zo geest en materie tot een geheel mengen. Voortplating is het ultieme doel. Maar alleen de liefde die Ik heb gezegend zal de vleselijke daad mogelijk maken, zodat de soort blijft voortbestaan in Mijn liefde”.

Daarna maakte God twee sterren boven de wereld. Een uit helder licht noemde Hij “zon”. De ander met een koud schijnsel noemde Hij “maan”. God legde uit aan Oanyus: “Zie toe dat jullie trouw is als de trouw van de kinderen tegenover hun ouders, anders zal Ik zo streng zijn als elke ouder tegenover hun kinderen. Aldus, als iemand van jullie sterft, zal Ik oordelen over zijn geest, aan de hand van het leven dat hij geleden heeft. De zon zal elke dag de wereld overstromen met haar licht, als teken van Mijn liefde voor ijn schepping. Diegene die ik daar heen stuur, zullen leven in euuwige vreugde. Maar tussen elke dag, neemt de maan het over. Maar diegene die ik daarheen stuur, zullen niets anders kennen dan kwellingen”.

De PrehistorieEdit

Deel I: OanyloniëEdit

De mensen waren voortaan de kinderen van God. Dat had voor gevolg dat zij nu van een ziel waren voorzien, dat zij aan het eind der tijden, in functie van hun deugdelijke daden zouden beoordeeld worden. Bovendien werden zij nu gewijd om te werken om hun levensonderhoud te waarborgen. De andere schepselen afkomstig uit de Schepping, uitgezonderd die door de Zeer-Hoog niet benoemd waren, stonden onder hen. De mensen konden ze aldus voeden en aansterken om zich ermee te voeden.

God werkte niet meer aan de wereld, Zijn kinderen liet Hij leven en groeien. Hij had aan het schepsel, dat Hij niet genoemd had, de vrijheid gegeven om ze te verleiden zodat zij moeten kiezen tussen de weg van de deugd en die van de zonde. Zijnde Alleswetend, wist Hij reeds hoe hun toekomst zou zijn, maar Hij hen was om die te ontdekken en zich zelf te bewijzen tegenover de anderen en tegenover Hem, zonder ze van te voren te oordelen.

Oanyus, die juist aan God had geantwoord, was nu van het statuut van eenvoudig van geest van de gemeenschap naar gids van deze laatste gepromoveerd. Hij nam dan ook deze taak volledig op zich. Hij leidde ze door de wereld om een gunstige plaats voor hun ontplooiing bevinden. Gedurende vele jaren staken zij woestijnen door, bergen en vlaktes van de gehele wereld. Oanyus verzwakte heel ernstig naderhand de lengte van deze reis groter werd, maar hij gaf nooit op.

Tenslotte kwam de dag waar zij een gunstig dal voor hun verdere bestaan vonden. Er bevond zich een meer, dat overstromend van vis leek. Uitgebreide ruimtes waren gunstig aan de veeteelt en de cultuur. De nabijgelegen bossen zouden hout leveren. Er was zelfs een boomgaard, waar talrijke vruchtbomen groeiden. Het dal bevond zich aan de voet van een berg, van waar delfstoffen, zoals goud, ijzer of steenkool, geëxploiteerd konden worden.

Oanyus was verrukt dat zijn missie en doel tenslotte ten einde heeft kunnen lopen. Hij bewonderde de vlaktes tot hij oppeens instortte en zo op de grond viel. Iedereen kwam als een kudde om hem heen staan om hem tot hulp te komen. Enkelen probeerden om hem in een zittende positie te houden, maar het was duidelijk voor iedereen die hij zijn laatste momenten beleefde. Maar, ondanks het tragische van de gebeurtenis, ondanks dat iedereen de schrik van hun leven hadden, had Oanyus een volle glimlach van kalmte.

Hij zei: "Wees niet gevreesd, want mijn dood is slechts een overgang om naar God te keren. Ik heb de plaats bereikt die God me in deze wereld gereserveerd heeft en heb vervuld wat hij van mij verwachtte. De dood is niet voor mij het verlies van het leven maar de overgang naar een ander, zeer beter bestaan. Hetzelfde zal voor u gelden als u in de deugd kunt leven. zorg, dat uw tranen niet van bedroefdheid maar van vreugde zijn, want de Zeer-Hoge schenkt me het mooiste kadeau. Houdt van Hem en Hij zal van u houden. Aanbidt Hem en Hij zal u zegenen. Leeft in de deugd en Hij zal u aan Zijn zijde verwelkomen."

Toen gaf hij zijn laatste adem. En ieder keek elkaar aan, niet begrijpend deze kalmte die nog op het gezicht van hun gids af te lezen was. Zij begroeven zijn lichaam te midden van het dal, daar waar zij voortaan zouden leven. Zij deden de eed dat, elke week, zij rond zijn graf zouden bijeenkomen, opdat hij ze vergezelt en ze begeleidt wanneer zij aan God hulde zouden brengen.

Maar geen enkele omvatte dat de liefde die Oanyus voor God had, hem de dood met een zoveel kalmte aanvaardt had. Maar niemand wilde hem het mindere verwijt doen, hij die zoveel voor hen had gedaan. Ter ere aan zijn leven ten dienste van de mens en God, besloten zij om de stad te vernoemen naar die zij had begelijdt: Oanylonië, "de stad van Oanyus".

Deel II: Het WerkEdit

Terwijl ze hun werk deden, werden de mannen en de vrouwen steeds talrijker, ze behielden hun liefde voor God en hielden het Wezen zonder Naam in de schaduw. Deze voedde elke dag een beetje zijn bitterheid en woede tegen het volk dat zo door God werd geliefd en die zijn plek had ingenomen als heerser van de Schepping. De mannen en vrouwen leefden zonder zorgen terwijl in de schaduw, hun vijand zijn wraak aan het voorbereiden was.

God had de mannen en vrouwen opgedragen te werken om hun overleving veilig te stellen. Dit harde werk weerhield hen van apathie. En de mannen en vrouwen konden inventief zijn, omdat God hen zo had geschapen. Zij verzamelde wat Hij voor hem aan de natuur had geschonken. Zij leerden de bronnen te organiseren en controleren om in hun onderhoud te voorzien en hun leven te verbeteren.

Ze namen het graan dat in de natuur groeide en cultiveerde het voor hun velden. De molenaar vermaalde het graan in zijn molen tot meel. De bakker bakte dit in zijn oven tot brood. Ze namen de maïs dat in de natuur groeide en cultiveerde dat ook voor hun velden. Ze namen de groenten uit de natuur en cultiveerden die in hun moestuinen. Ze verzamelde de vruchten uit de bomen en struiken en voedden zich met deze. De vreugde die hen door de groenten en vruchten ten deel viel, maakte hen plezierige in de omgang.

In de zeeën, rivieren en meren, vingen ze vissen waardoor hun intelligentie werd verhoogd. Ze vonden een boot uit waardoor hun visvangst werd verbeterd. Soms werd er in de ochtend iemand wakker onder een boot. Ze dankten God voor dit geschenk aan hen. Ze hielden koeien, varkens en schapen in hun weiden, en verzorgden deze wezens die door God aan hen waren toevertrouwd. Ze voedde ze en ze werden vetter en vetter.

De slager prepareerde het vlees uit de karkassen van deze beesten. Daartoe maakten ze een mes, waarmee ze het vlees in stukken konden snijden. Ze voedde zich met het vlees en ze voelden zich sterker worden nadat ze het gegeten hadden. Van de koeien kregen ze ook melk, een heerlijke zachte nectar zonder gelijke.

Ze schoren de schapen en maakten er wol van. Van de huiden maakten ze leer. Van de wol en het leer maakten ze kleding die hen beschermde tegen de wind en hen een decent uiterlijk gaf. Omdat de natuur hen alles gaf wat ze zich konden wensen, moesten ze vaten maken, zodat ze alle vruchten van hun werk konden bewaren.

Om zichzelf te beschermen als de hemel openbarstte, bouwden ze voor zichzelf huizen om in te wonen. Deze richtte ze in met bedden, tafels, stoelen, kaarsen……en alles wat het comfort van hun leven kon verhogen. Daarvoor delfden de mijnwerkers steen en ijzer uit de mijnen en de houthakkers hakten bomen om. Om hun werk te vergemakkelijken smolt de smid het ijzer en bewerkte het hout om werktuigen voor hen te smeden, zoals bijlen en messen.

Soms droeg God extra bij aan al deze vreugde, door diegene die gelukkig waren met deze wereld voedsel te schenken dat ze niet hoefden te produceren. Soms moedigde Hij hen ook aan door ze meer charismatisch, sterker of intelligent te maken. En elke Zondag, voor de maaltijd, ontmoette ze elkaar in het midden van hun stad, rondom de tombe van Oane, om samen te bidden tot Hem die zo van hen hield. Ze hadden inderdaad nog geen priesters, omdat ze die nog niet nodig hadden, want zij stonden in direct contact met God.

Deel III: De ApathieEdit

De samenleving van mannen en vrouwen werd steeds mooier en verfijnder.

En, ze leerden hoe ze wijn uit druiven moesten maken, na lange jaren van proberen om de subtiliteit en verfijndheid van deze drank te leren kennen. Ook leerden ze om bier te maken uit gerst en hop. hiervoor maakten ketels van enorme afmetingen. Ze moesten leren om samen te werken ten einde de beoogde resultaten te behalen. Maar ze twijfelde er niet aan dat de inspanning allemaal de moeite waard was.

Bovendien werden kunst en wetenschap ontwikkeld om hen nog dichter bij God te laten zijn. Ze leerden om muziek te componeren waardoor de liederen onbeschrijfelijk mooi werden en de instrumenten die ze begeleiden nog beter gemaakt werden. Ze ontdekten planten om hun wonden te helen en ziekten te genezen, zodat hun gezondheid hen in staat stelde God nog langer de dienen en te eren. Ze vonden het schrift uit, zodat ze alle kennis konden bewaren voor de volgende generaties.

God was tevreden. Zijn kinderen hadden zichzelf gesetteld op de plek die Hij hen gegeven had. Maar hij wist dat na deze mooie lente de bloemen van de Deugd zouden verwelken, omdat het Wezen Zonder Naam zich nog steeds wentelde in zijn haat en woede. Liggend in de duisternis, wachtte het op het juiste moment om aan de Meest Hoge te bewijzen dat het antwoord dat Oane Hem had gegeven, niet het beste was. Het hield vast in zijn fout, ontkende de kracht van de liefde en bleef volharden in de dominantie van de sterke over de zwakken, als het doel van het leven.

Maar alle uitvindingen die de mensen hadden gedaan maakte dat hun werk steeds minder zwaar werd. Ze hadden steeds minder wek te doen en steeds meer vruchten om te verzamelen. Waar ze voordien een maand nodig hadden om graan te verbouwen en te oogsten, hadden ze nu voor de zelfde hoeveelheid maar een derde van de tijd nodig. Waar ze voorheen slecht één vis in de twee dagen konden vangen, was dat er nu één per dag, en soms zelfs twee. Waar ze voorheen elke dag moesten werken om groenten te verbouwen, hoefden ze nu alleen nog maar te oogsten.

de hoofdwetenschap bestond nog niet, want Theologie was nog onbekend bij de mensen. Omdat er geen priesters waren, was er nog niemand die zichzelf helemaal aan God kon wijden. Omdat er nog geen Heilige Tekst was, was er ook niets om te studeren. Het menselijk geloof was nog primitief, in de zin dat er nog geen intermediair was tussen mens en God. Maar deze blijkbare puurheid van hun liefde voor God was precies datgene wat hen naar hun verlies zou leiden.

De mensen werden vergiftigd door de vriendelijkheid van hun leven. Ze vonden het allemaal zo gemakkelijk en vriendelijk dat ze het verlangen om hun leven aan werk te wijden niet meer begrepen. Elk plezier gaf hen de gelegenheid om hun werk te verwaarlozen. Ze hielden van de wereld, maar vanwege de wereld zelf, niet omdat God het hen gegeven had, vanwege hun liefde voor Hem. Zo werden ze beetje bij beetje weggeleid van hun liefde voor God.

Zo ontdekten de mensen onvrijwillig de eerste zonde. Deze kreeg later de naam apathie. Deze zonde bestaat uit het afgeleid worden van de goddelijke liefde, zichzelf over geven aan het materiele leven door het spirituele leven te ontkennen, bezig te zijn met het heden zonder rekening te houden met wat God voor ons in gedachte had. Deze ene zonde zou de andere zonden tot gevolg hebben, en zo de mensen naar hun verlies leiden. Het bereikte zijn hoogtepunt toen de Zondag niet meer werd gebruikt voor gebed, maar voor ijdele zaken.

Deel IV: De ZondenEdit

De mensen hadden apathie ontdekt. Ze hadden de liefde van God geschonden. Ze behaagden de materiele zaken die Hij voor hen had gemaakt, boven God zelf. Ze hadden veel plezier met een deel van het goddelijke, terwijl ze vergaten dat ze het geheel moesten liefhebben. Oane was er niet meer om hen te leiden, degene die de enige was die echt begreep wat de liefde van de Meest Hoge betekende. Nu, zonder hun gids, konden de mensen niet langer het onderscheid maken tussen de deugd en de zonde.

Sommigen gingen meer eten dan vanwege hun honger strikt noodzakelijk was, en haalden daar veel plezier uit dat steeds groter werd. De zoete smaak van fruit, de sappige aroma’s van het vlees en de bedwelmende alcohol kwamen in de plaats van de simpele geneuten des levens. Er was geen plek meer in hun leven voor de zachte geuren van bloemen, of de schoonheid van het landschap. Ze kwamen zelfs tot een punt dat de vele vruchten van hun werk niet meer genoeg waren om hun behoeftes te vervullen.

Op dit moment werden de banden tussen de mannen en vrouwen verbroken door hebzucht. Iedereen hield de vruchten van zijn werk voor zichzelf en weigerde het te delen met anderen. De sterken produceerden meer, aten meer, dronken meer, en werden steeds sterker. De zwakkeren produceerden minder, aten minder, dronken minder, en werden zwakker. De gemeenschap van mannen en vrouwen viel uiteen zich vanwege hun ongecontroleerde verlangen naar materiele zaken die hen in verval leidde.

toen ontwikkelde de man en vrouw trots. De sterken begonnen de zwakken te verachten, iets waar ze maar geen genoeg van konden krijgen. Net zoals het Wezen Zonder Naam, dachten zij nu ook dat de sterken de zwakken behoorden te domineren. Het Wezen Zonder naam zag aldus dat zijn uur van wraak was aangebroken. Het bewoog in de duisternis en benaderde degene die veracht werden. Het vroeg hen: “waarom laten jullie je zo behandelen door die anderen, waarom handelen jullie niet om de rollen om te draaien?”

En de zwakken begonnen de sterken te benijden. De sterken, die tevreden waren met de situatie, zagen niet dat de zwakken zich afvroegen waarom zij minder bedeeld waren dan de sterken. Het Wezen Zonder Naam was vervuld van vreugde, want het voelde dat zijn uur van de overwinning nabij was. het mompelde in de oren van de zwakken en wakkerde hun verlangen aan. Woede brandde in de harten van de zwakken, die zich van binnen verzette tegen deze onrechtvaardigheid. Het vroeg hen waarom ze dit gevoel in hun geest hielden en niet naar buiten toe uitdrukten?

Toen vielen de mannen en vrouwen hun broeders en zusters aan. Ze namen messen en bijlen in hun hand, en de een sloeg de ander in een storm van geweld en vernietiging. Ze hadden zojuist oorleg ontdekt, dat zijn hoogtepunt bereikte toen de een begon met het platbranden van het huis en de velden van de ander. Het Wezen Zonder Naam kwam weer bij degene die naar het geluisterd had en zei dat geweld en haat hen vanaf nu in staat zou stellen om over hun buren te heersen.

De man nam de vrouw en de vrouw nam de man. De sterken misbruikten de zwakken en de zwakken leden onder de sterken. Allen smolten samen in een bestiale orgie van indecente aanvallen en geweld. Hun verstrengelde lichamen reflecteerden de vlammen van de brandende huizen. Voedsel werd verorberd en drank naar binnen gegoten. Het gefluister moedigde het indecente gedrag aan. Een waarlijke orgie van ondeugd vond plaats. En er was geen aandacht meer voor de liefde van God.

Deel V: De Koning der ZondenEdit

Dat duurde weken en zelfs maanden. De menselijke ondeugd kende geen grenzen meer. Verder had op dit ogenblik niemand ook maar de minste intentie om te werken. Geweld en de onfatsoenlijke aanvallen waren hun dagelijks brood. De graanschuuren werden omvergehaald en iedereen vocht om zoveel mogelijk voedsel te krijgen. Zij wilden niets anders dan zich overgeven aan hun buitensporige verlangen naar materiële dingen.

Allen waren voorzicht naar elkaar. Het minste voorwendsel was al reden om opnieuw een symfonie van geweld te doen losbarsten. Als er één, gedreven door hebzucht, voedsel benijdde dat een ander had en het probeerde te stelen van hemzelf dan beantwoordde die ander, vol van inhaligheid, dit direct met geweld. Niemand sprak meer woorden die niet een bedreiging of belediging waren.

De mannen en de vrouwen keken niet meer op naar de sterren. De zonde had de controle over hun leven overgenomen. Zij vergaten zelfs het bestaan van God en voelde niets meer van Zijn liefde. Zij hielden nergens meer van behalve de ongezonde genoegens van de zonde. Nu zonder Oanyus om hen te leiden, werd de deugd vergeten en de zedeloosheid werd hoog op een voetstuk geplaatst in hun gehate leven.

De enige communicatie die zij nog hadden met de wereld om hun heen was met het wezen dat God geen naam had gegeven. Het zwolg in blijdschap, denkende dat het eindelijk aan de Allerhoogste had laten zien dat zijn antwoord waar was en dat van Oanyus onjuist was. Volgens dit wezen, moesten de sterken heersen over de zwakken en moesten de zwakken zich altijd overgeven. Het ontkende de macht van de liefde en haatte Oanyus vanwege de zuiverheid van zijn geloof.

Het was de enige die zich herinnerde dat hij was begraven in het centrum van de stad. In trots ging het naar de tombe en haalde de grafsteen naar boven. Het groef het lichaam van Oanyus op en danste de hele nacht, het lichaam vertrappend, en zingend van vreugde over het vernietigen van zijn werk. Overal om het heen brandde de stad, de mensen vochten, werden aangerand, pleegden zelfmoord en werden gezamenlijk gemarteld. Het uur van zijn triomf leek te zijn aangebroken.

Het ging naar de mijnen om te ontdekken wat het nodig had om een kroon te smeden als heerser over de Schepping. De kroon werd gemaakt van goud, zilver, robijnen, emeralden en alles wat men kon vinden dat enige waarde had in de wereld. Het gewicht getuigde van de trots en haat richting de mannen en vrouwen die het wezen het gecorrumpeerd. En deze was de enige die zijn ogen richtte naar de hemel, maar enkel om zijn grijns van triomf te laten zien aan God, waarvan het verwachtte dat Hij zou toegeven dat Hij fout was.

Toen besloot God de mensen een grote les te leren omdat zij Hem verraden hadden. De hemel werd zwart boven de gemeenschap en de wind blies met grote kracht. Hij sprak tot hen: ‘Toen ik jullie Mijn liefde gaf, wendden jullie je af van Mij, de voorkeur gevend aan het luisteren van de woorden van het wezen dat ik geen naam gaf. Jullie gaven er de voorkeur aan om jezelf over te geven aan aardse genoegens liever dan te zoeken naar Mijn genade.’

Hij voegde toe: ‘Ik heb voor jullie een plek geschapen die de Hel heet, ik heb dit geplaatst in de maan, waar de slechtste van jullie een eeuwigheid van kwellingen zullen doormaken om jullie te straffen voor jullie zonden. Binnen zeven dagen zal jullie stad worden verzwolgen door vlammen. Zij die hier blijven zullen een eeuwigheid moeten doorbrengen in de hel. Echter, Ik ben grootmoedig, zij onder jullie die in staat zijn om boete te doen zullen een eeuwigheid doorbrengen op de zon, in het Paradijs.

Deel VI: De StrafEdit

De mensen hadden zich zo overgeleverd aan de zonde dat God besloot hen te straffen. Maar hun overgave aan het kwaad was echter zo groot, dat de meerderheid niet meer wist waaraan ze zondigden. Ze genoten zo van de pleziertjes van het leven, dat ze huiverden bij het idee hier van afscheid te moeten nemen. Daarom besloot een aantal onder hen de verdoemde stad Oanylone te ontvluchten. Maar Het-Wezen-Zonder-Naam vond zeven mensen waarvan de smaak voor de zonde zo uitgesproken was, dat ze er elk de belichaming van waren.

Asmodéé had zich overgeleverd aan de gulzigheid, Azazel aan de wellust, Belial aan de ijdelheid, Lucifer aan de gemakzucht, Belzebuth aan de gierigheid, Leviathan aan de woede en Satan aan de afgunst. Volgens de raadgevingen van Het-Wezen-Zonder-Naam predikten zij de opstand tegen God, verzekerend dat enkel Gods jaloersheid de motivatie was voor het straffen van de mensen. Ze voegden er aan toe dat Hij zwak was, en Hij nooit Zijn bedreiging kon waar maken. Een aantal mensen luisterende met aandacht.

Zeven mensen hadden echter begrepen welke fout zij hadden begaan. Hun namen waren Gabriël, Georges, Michel, Michael Galadriëlle, Sylphaël en Rafaël. Zij predikten deemoed, verzekerend dat men de straf van God diende te aanvaarden, om gereinigd te worden van alle zonden. Hun toespraken getuigden van de deugden die zij verpersoonlijkten. Gabriël van matigheid, Georges van naastenliefde, Michel van rechtvaardigheid, Michael van kuisheid, Galadriëlle van moed, Sylphaël van wijsheid, en Rafaël van geloof. Enkel een handjevol mensen luisterde naar hun woorden. Maar de zuiverheid van hun geloof was goed voor het kwade van honderd zondaars.

De zes dagen waren verschrikkelijk. De bliksems verscheurden de hemel en de donder ondermijnde de wil van de zwakken. Sommigen ontvluchtten de stad. Enkel de grootste zondaars, die luisterden naar de preken van de zeven ondeugdzamen bleven, evenals de deugdzamen, om samen gewillig de straf van God te ondergaan, zoals de verpersoonlijkingen van de deugden hadden gevraagd Zelfs Het-Wezen-Zonder-Naam had uit voorzichtigheid de vlucht genomen, de zeven ontaarden achterlatend in hun blinde waanzin.

De zevende dag eindigde het godsgericht met een onmetelijke ramp. Met een oorverdovende aardbeving opende zich de aarde onder de voeten van de enkelingen, die in de stad waren gebleven. Door vlammen hoog als een kathedraal werden ze verteerd. De gebouwen stortten in, waarbij de brokstukken hun bewoners bedelfden, de vlammen verwoesten alles. Alras werd de gehele stad verslonden in de ingewanden van de aarde, geen enkel spoor nalatend van zijn bestaan.

De zeven ondeugdzamen werden door God gestraft. Zij werden op de maan geworpen, sindsdien levend in eeuwige pijnen onder de naam van Prins-demoon. Hun volgelingen ondergingen hetzelfde verschrikkelijke lot, en dragen sinds dan de naam van demoon. Hun liefde voor het kwaad, en hun haat voor God is in de loop der tijden enkel gegroeid, en zij nemen meer en meer een ziekelijk genoegen in het beoefenen van hun ondeugden. Hun lichaam weerspiegelt beetje bij beetje het kwade en beestachtige van hun ziel.

God zag echter dat de zeven zuiveren, evenals hun volgelingen, hadden bewezen dat de mensen in staat waren tot berouw en nederigheid. Hij verhief hen in de zon en ze werden gezegend met de oneindige gelukzaligheid in het Paradijs. De zeven zuiveren werden benoemd tot aartsengel, en hun volgelingen tot engel. Ze moeten Den Zeer Hogen bijstaan, de mensen helpend, telkens het nodig is, om de pogingen van het monster, die Hij niet heeft benoemd, te bestrijden.

Deel VII: De VerbanningEdit

De hele stad van Oanylonië was dus opgenomen in de ingewanden van de aarde, opgeslokt door de vlammen. Om het land te zuiveren verspreidde God zout over de sporen van de Stad der Zonden, zodat daar nooit meer mensen zich zouden vestigen en welvaren. De macht van dit heilige cataclysme hulde de hemel in duister voor vele mijlen. De verschillende groepen die waren gevlucht verdubbelden hun snelheid om aan de catastrofe te ontkomen, alles achterlatend van hun oude leven. De meerderheid schreeuwde het uit bij wat hen zeer onrechtvaardig voorkwam. Gescheiden van God en Zijn liefde, begrepen zij niet de juistheid van Zijn heilige beslissing.

Sommigen kwamen aan bij de zee. Ze hakten hout en maakten boten. Het koste hen veel tijd om deze constructies af te maken. Ja, ze waren de kunst van het werken vergeten en het deed hen pijn om aan het werk te moeten. Ze brachten meer tijd door met lachen op het strand dan zoeken naar eten of bouwend aan hun schepen. Maar de rollende wolken van zand herinnerende hen altijd eraan dat ze aan het zouden moeten werken. Stukje bij beetje kregen ze weer plezier in hun inspanningen, zelfs al leefden ze niet deugdzaam, ze kenen ook niet meer de diepe zonde waarin ze geleefd hadden in Oanylonië.

Toen de boten klaar waren vertrokken ze om de wereld te zien, zeeën overstekend en landend op alle kusten die hen gunstig voorkwamen. Andere groepen vluchtelingen vluchten zelfs verder het binnenland om weg te komen van het cataclysme. Ze doorkruisten verschillende bossen, moerassen, rivieren, meren, valleien, heuvels, bergen, ravijnen, gletsjers en vlakten. Iedere keer dat ze een plek vonden die ze gunstig leek voor een nederzetting stopte een grond roep en stichtte daar een stad.

Dus werd de wereld geleidelijk bevolkt en er werden overal waar zij kwamen dorpjes gesticht. Ieder dorp regelde een politiek systeem. Ze kozen hun leiders, die hun dorpen en grondstoffen beheerden. Ze wezen wachten aan, zodat de wetten van de stad werden gerespecteerd. Om deze beginnende hiërarchie in stand houden haalden ze goud en zilver uit de mijnen en zij smolten dit om er geld van te maken. Dit idee zorgde ervoor dat geld tussen de steden kon worden uitgewisseld.

Maar in het bijzonder maakte het de uitwisseling van goederen tussen de steden mogelijk. Deze handel verrijkte sommigen terwijl het anderen verarmde. De steden begonnen steeds meer met elkaar te concurreren voor het beheersen van de grondstoffen. Wat ze door handel niet konden krijgen proberen ze via brute kracht te winnen. Zo organiseerde iedere stad een leger, trainde het soldaten om te vechten voor de verrijking van de maatschappij en zijn leiders.

Toen besloot God om hen toe staan om de vriendschap te leren kennen, zodat de mensen zouden ophouden elkaar te doden. Hij verdeelde de ene taal in een veelvoud aan talen. De mensen waren niet langer in staat om de woorden te begrijpen die werden gesproken in de andere steden. De Allerhoogste stond hen toen toe om de talen te leren die zij zelf niet kenden. Deze lessen vereisten dat iedereen zich openstelde voor de cultuur van een ander. Zo besloten ze minder snel om oorlog te voeren omdat ze de ander beter begrepen, vanwege hun inspanningen om de taal te leren van het volk dat ze wilden aanvallen.

Deel VIII: Het HeidendomEdit

De groepen van mensen die wegvluchten van Oanylone hebben zich verspreid over de wereld, en hebben deze bevolkt. Hun nakomelingen hadden steden opgericht, overheden gevormd en hadden geld uitgevonden, dat handel toestond. Maar ze hadden ook oorlog uitgevonden, en om hen aan te moedigen eerder de kennis te gebruiken in plaats van het vechten, heeft god de enige taal in een massa talen verdeeld.

Onder al deze mensen, werd een groep gevormd die op zoek waren naar de goddelijke werkelijkheid. Maar deze groep was net zo onwetend over God, als de rest van het mensdom. De mensen voelden Gods liefde niet meer, omdat ze van hem werden afgeleid. Zij streefden naar een verklaring voor het leven, terwijl het antwoord aan hen gegeven werd. Maar zij konden het niet langer aanhoren en bleven ongevoelig aan Zijn liefde.

De groep besloot dat in elk voorwerp, in elk element dat de mannen en de vrouwen omringt, er een geest was, waarvan de macht hun begrip overschreed. Deze elementaire geesten hadden bovenmenselijke capaciteiten. Zij werden uitgerust met gevarieerde persoonlijkheden en slaagden er nooit in te concurreren met elkaar om te bewijzen wie het sterkst was.

Daarbij, nu ze God niet langer in hun harten sloten, hadden ze een geheel pantheon van valse goden uitgevonden. Aangezien de hemel de aarde beschermt en de bron van licht is, maakten zij de god van de hemel de koning van de goddelijkheden. Zijn bliksem werd snel beroemd en de mensen hadden zeer snel geleerd om het te vrezen. Aangezien het mensendom de deugdelijkheid niet meer kende, waren de goden die zij maakten, net zo corrupt als de mensheid zelve. De koning van hun goden kon zich veranderen in een gouden wolk om zo de zonde van verlangen uit te oefenen met prinsessen.

Om hun veelvoudige goddelijkheid te eren, maakten de mensen: kerken die aan hen geweid werd. Men noemden die kerken: tempels, en zijzelf die als predikers in hun heidendom dienst doen, noemden zichzelf “priesters”. Ze bedelden voor hulp van hun goden en als terugdienst offerden ze dieren aan hun goden. Terwijl God de mensen had onderwezen dat deze veelvoudige schepsels geëerbiedigd moesten worden, gebruikten zij het bloed van deze schepselen om hun heidense goden te respecteren en hun valse goddelijkheid te eren.

Maar er was geen liefde voor hun nieuwe goden. Deze werden enkel gebruikt om diensten te krijgen in ruil voor de offers. Algemeen bekent, eerbiedigden deze heidenen hun goden vooral uit angst en vrees, dan uit liefde. Veel steden verzamelden zich in koninkrijken, met als hoofd: de koning. Deze verzochten de heidense priesters om hem hulp te verlenen, zodat hij ook een goddelijke status kreeg. De heidense priesters geloofden dat de toekomst van de steden in dierlijke ingewanden werd geschreven.

Maar er bleef een vacuüm in het hart van de mannen en de vrouwen. Zij misten iets dat ze vroeger hadden. Zij misten de liefde die God hen wou geven en waar hij op in ruil op wachtte. Dan besloot God dat het ogenblik was gekomen om Zijn verwezenlijking aan zijn doel te herinneren. Hij vond een kind in de stad die Stagirus werd genoemd en onderwees Zijn woord aan het kind zodat de mensheid op die manier de deugd kon vinden. Dit kind werd genoemd: Aristoteles.

De EclipsEdit

Deel I: De MaanEdit

De geschiedenis die ik je zal vertellen kan heel verbazend lijken, maar, wanneer je het leest, zul je weten dat er veel waarheid in schuilt.

Op een dag, toen het mooi weer was, liep ik met mijn hond langs smalle paden tussen de velden. Ik had net gegeven en zocht voor mijzelf een klein, aangenaam plekje waar ik een dutje kon doen. Op deze meimiddag, was de hemel helderblauw en er was geen wolkje te bekennen. De vogels zongen en mijn hond rende door het graan, jagend op kleine dieren die veel sneller waren dan hij. Hij blafte machtig en blij, ook al had hij bij voorbaat de wedstrijd verloren.

Het leek een schitterende dag, maar de aanwezigheid van de maan in de hemel op klaarlichte dag baarde me zorgen. Terwijl de zon de plaats was die was bestemd voor de deugdzamen na hun oordeel, was de maan de toekomstige plaats van kwellingen voor de zondenaren. Het eerste werd het Paradijs genoemd, terwijl het tweede bekend stond als de Hel. Het samenbrengen van deze twee heldere sterren op klaarlichte dag kon enkel de voorbode zijn van grote onheil.

Ik boog mijzelf om een kleine bloem in de weiden te bewonderen, maar de plotselinge duisternis was zodanig dat ik het niet kon zien. De duisternis, vroeg ik mezelf af? Hoe kon er duisternis zijn op zo’n prachtige dag terwijl de zon hoog aan de hemel stond? Ik sloeg mijn ogen op naar de hemel en werd gegrepen door een verschrikking: de maan maskeerde de zon nu, hinderde het heilige licht, de bron van leven, om de wereld te bereiken. Slechts een kleine halo met de kleur van vuur, die de ster van de nacht omringde, getuigde van de aanwezigheid van de ster van de dag.

Mijn stopte met blaffen. Ik vertelde mezelf, daarbij pogend om mezelf gerust te stellen, dat het slechts een van die regelmatige kosmische gebeurtenissen die de ouden hadden bijgehouden, en dat het snel voorbij zou zijn. Maar ik was niet overtuigd. De halo van vuur gaf deze eclips een onheilspellende atmosfeer. Maar zelfs dit verdween toen de maan zijn verovering van de zon voltooide. Het hulde de hele hemel in een inktzwarte duisternis. Zelfs de sterren gaven zich over aan deze vreemde eclips. Op dit punt in de tijd besloot de maan om de regels der fysica te breken.

In het centrum van deze schrijf van duister, dreven gekleurde puntjes, als vogels die door de lucht vlogen. Ze leken met elkaar te strijden, de een die zich met de ander vermengde en dan abrupt zich scheidden. Mauve wierp zich op blauw, wat wegduikt richting turkoois, het groene vluchtte naar het rood, wat zelf het geel aanviel. Toen hielden de kleuren op met hun dans. Ik kon de drang om naar de maan erboven te kijken niet weerstaan, daar zag ik dat de kleuren zich verdeelden over de oppervlakte van de ster van de nacht, eindelijk gegroepeerd in een coherent geheel.

Zo bleef het gedurende een eeuwigheid, terwijl mijn hond huilde en zichzelf verstopte in het graanveld. Toen, vlogen de gekleurde stippen weg van de maan, zoals een bol afgevuurd door een kruisboog. Je zou zeggen dat zes kleurenregens door de lucht schoten als lange gekleurde vingers. De kleuren kwamen samen in een ware regenboog die eindigde bij mijn voeten. Ik zag voor mij een brug van kleuren, die een boog vormden over de afstand die me scheidde van de maan.

Ik keek ernaar en zag toen dat de brug van kleuren naar beneden kwam in een ware zee van wit licht. Ik keek toen naar mijn eigen voeten en zag dat met hetzelfde zachte witte melkachtige licht waren besprenkeld. De zes kleurenregens, gekoppeld over de gehele lengte van de brug, kwamen op het eind samen in de zelfde witheid.

Hoewel ik in de greep verkeerde van een onbegrijpelijk angst, besloot ik op de maanregenboog te stappen.

Deel II: De MistEdit

Ik liep dus over een gestreepte brug van zes kleuren met als bestemming de maan, onder een lege hemel met een inktzwarte duisternis zonder een enkele ster. De reis leek een eeuwigheid te duren. Maar, toen ik begon te wanhopen over de afstand die ik nog moest overbruggen, verloor ik mijn balans. Inderdaad, de klerenregens die de brug vormden die ik was overgestoken vermengden zich tot een enkel wit licht. De brug, zoals water, viel op de oppervlakte van de maan in een melkachtige cascade. Ik viel zielig op de grond en stond weer op, zeer getergd, en klopte het stof van mijn kleren.

Ik zag een fleste mist overal om me heen hangen. Het weer was heet en klam binnen de dichte en onadembare lucht. Ik probeerde vooruit te komen, maar mijn bewegen waren langzaam en onhandig, aangezien de mist vastgeklampt leek te zitten aan mijn lichaam. Mijn voeten zakten diep weg in de zachte en kleverige grond. Ik wenste dat de wind zou waaien om deze romige mist te verspreiden die me omhulde. Maar deze plaats gaf me de indruk sinds het begin der tijd nog geen briesje te hebben meegemaakt. Ik geloofde dat ik was opgesloten in een tombe.

Op dit punt, een gleed een lange tong langs mijn borst. Ik was verlamd door deze verschrikking, en verstijfde totaal. Ik keek om me heen, en eindelijk was ik in staat om vormen te onderscheiden. Zij waren ontelbaar en deden nog maar weinig denken aan menselijke wezens. Een van hen, van een gigantische grootte, kwam dichtbij mij, en ik kan niet in detail beschrijven hoe lelijk het was. Geheel naakt, deze demon had een naakte huid, zweette, en tussen zijn gebogen benen zag ik de tekenen van zijn mannelijkheid die werden tentoongespreid zonder enig fatsoen. Ik zag ook dat zijn borst vrouwelijke attributen droeg. Ik hoopte een menselijk gezicht te ontdekken, maar in zijn plaats was een mond gelijk aan die van een slang, met een lange tong die zich uitstrekte tot mijn linkerkant.

Het monster sprak tot mij: ‘Ik ben Asmodeus, Prins van Lust. Rapheal, Aartsengel van Overtuiging, is mijn tegenhanger. Zij die er plezier in scheppen om de zaken van het vlees te misbruiken en in de meest totale leegheid kom en voeg je bij de rijen van mijn verdoemden.’ Ik wist niet wat te zeggen tegen zo’n vreselijk schepsel, maar het verwachtte geen respons en verliet mij. Op dit punt zag ik lange gang in de dichte mist. Ik begon direct in die richting te bewegen hopend te ontsnappen van de lustvolle dieren. De grond was steeds minder zompig en werd steeds zandiger. De fletse witte kleur verdween beetje bij beetje, en maakte plaats voor de een donkere turkooizen gloed.

Na het einde van onbepaalde tijd, bereikte ik een gigantische grot. Titanische pilaren ondersteunden het gewelf wat ik moeiteloos onderscheidde, door zijn enorme grote. Een meer van Homerische dimensies vulde iedere denkbare ruimte. Zijn vloeistof, waarin geen rimpeling was te bekennen, straalde een diepe turkooizen gloed uit, die alle omliggende rotsen kleurde. Geen leven leek op deze plaatsen aanwezig te zijn. Ik was niet langer verbaasd, toen tussen de rotsen die zich hadden opgestapeld rond de oever, obscure vormen begonnen op te staan. Hun bewegingen waren traag, onhandig en niet erg doelgericht.

Ze leken een bovenmenselijke moeite te moeten doen om enige beweging te kunnen uitvoeren. Ik hoorde ze allen klagen over hun decadente en amorfe staat. Ik zag nu op dit moment een turkooizen liquide vorm herijzen vanuit de oppervlakte van het meer. Een enorm wezen met schubben en de lange staart van een hagedis kwam te voorschijn uit de vloeistof. Naast de titanische kaak, fixeerden twee kleine smaragden ogen zich op mij. Het sprak tot me: ‘Ik ben Belial, Prins der Trots. Uriel, Aartsengel van de Vrijgevigheid is mijn tegenhanger. Zij die geloven dat ze buiten de gemeenschap kunnen leven, of die de status van het heilige kunnen bereiken, kom en voeg je bij de rijen van mijn verdoemden.’

Deel III: De VlakteEdit

Belial draaide zich om en dook weer onder in de turkooizen wateren, die weer teruggekeerden naar een zorgwekkend gladde oppervlakte. Ik zag toen een kleine boot op de over. Hoe kon het dat ik dit niet eerder had gezien? Ik nam de boot, toen ik zag dat geen van de amorfe wezens hiertegen protesteerde. Ik roeide urenlang, de gigantische stenen pilaren volgden elkaar op. Ik kwam steeds sneller vooruit. Maar de die dit me bracht veranderde snel in afgrijzen toen me realiseerde dat dit enkel kwam omdat ik vast zat in een draaikolk. Ik was niet in staat hieruit te ontsnappen en viel toen door de draaikolk.

Toen ik wakker werd, mijn lichaam was bont en blauw, keek ik me heen in een donkere hoek. De grond was bedekt met een zachte hete stof, wiens mauve kleur zeer veel leek op de amethisten muren. Ik besloot om dit vreemde pad te volgen. Langs mijn weg, zag ik gigantische hopen goud, zilver en juwelen langs de muren. Een verleidelijke geur van heerlijk vlees vulde de gang. Mannen en vrouwen met prachtige lichamen paradeerden voor mij. Maar ik zag vooral de vele andere waardeloze mensen, die met hun ogen deze formidabele luxes verslonden.

Ik vroeg mij af waarom zij niet namen wat hen werd aangeboden, maar snel begon ik dit te begrijpen. Een van de verdoemden nam een gouden munt, maar snel, met een kreet van pijn, liet hij deze weer vallen. De vervloekte zielen waren veroordeelt om luxe te aanschouwen zonder ooit in staat te zijn er gebruik van te maken. Op dit punt hoorde ik het geluid van vleugels en ik zag dat zich een enorm creatuur voor mij opstelde met de grote vleugels van een vleermuis en een huid met de kleur van amethist. Het sprak tot me: ‘Ik ben Satan, Prins van Verlangens. Michael, Aartsengel van Rechtvaardigheid, is mijn tegenhanger. Zij die wensen te profiteren van geschenken die op goede gronden aan anderen zijn gegeven, of zij die afgunstig zijn op de goederen of het geluk van hun buren kom en voeg je bij de rijen van mijn verdoemden.’

Dan, zonder nog iets te zeggen, verdween Satan. Ik begon aan mijn weg naar het einde van de gang, die ik eindelijk vond. De uitgang was een smalle opening bedekt met een zwarte steenlaag, waarin schedels waren uitgesneden. Ik aarzelde om binnen te gaan, maar herinnerde mij wat er achter mij lag en wilde daar zeker niet naar terugkeren. Ik ging dus door deze doorgang en stond oog in oog met een vlakte die zich uitstrekte tot in de oneindigheid. Aan de zijkanten, zag ik grote rode bergen die de vlakte omsloten.

Dit beeld kon bijna doen denken aan een aards landschap, maar de bergen en het gras hadden de kleur van bloed. De zon brandde recht boven de vlakte. Het leek de halve hemel te vullen en vast te zitten aan de maan. Het sneed door de sterrenverlichte nacht die met zijn volle gewicht op me leek te drukken. Ik zag een duizeligmakende blauwe piek in het midden van de vlakte die geheel reikte tot aan de gigantische ster van de dag. Aan zijn basis was een grote houten constructie geplaatst. Ik besloot verder te gaan, om deze stenen vinger die naar boven wees te bereiken. Maar, toen ik halverwege was, begreep ik dat ik het niet kon bereiken.

Want, rondom de blauwe piek, zich honderden mijlen uitstrekkend, vochten duizenden verdoemden als bezetenen. Ze ontbeerden zelfs het minste mededogen tegenover de ander. Ieder vond dit een goede gelegenheid om het vlees van zijn tegenstander te verscheuren. Wanneer de wapens en de vuisten niet meer genoeg waren, vochten zij met hun tanden. Dan, vanuit de gigantische veldslag, kwam een enorme stier naar me toe. Onder zijn bloeddoorlopen ogen, lekten vlammen uit zijn neusgaten. Het sprak tot me: ‘Ik ben Leviathan, Prins der Woede. Gabriel, Aartsengel van de Matiging, is mijn tegenhanger. Zij die zich hebben verloren in haat tegenover anderen, of zij die uit alle macht vechten tegen hun conditie, kom en voeg je bij de rijen van mijn verdoemden.

Deel IV: De GalerijenEdit

Leviathan stampte toen op het bebloede gras met zijn voet, en een krater opende zich in de grond. Ik zag een stenen trap die afdaalde in het duister. Ik verzamelde mijn moed en daalde de trap af, terwijl de Prinsdemon terugkeerde naar het gevecht. Ik daalde de trap voorzichtig af, want er was geen licht dat mij hielp om te zien waar ik naartoe ging en de weg leek lang. Om mezelf te helpen liet ik mijn hand langs de muur glijden, en ik kon door deze aanraking voelen dat de trap simpelweg en grof uitgehakt was in de grond zelf.

Ik beefde van angst toen mijn vingers een slijmerige iets raakten. De trap werd gehuld in een groene gloed. Ik keek naar de bron van mijn angst en zag vol walging dat er een gigantische aardworm in de muur rondkroop. Het straalde een gevoel van onwilligheid uit gelijk aan duizenden andere wezens die ook in de grond rondkropen. Er begon bij mij een beetje begrip te dagen van de werking van de maan, en ik vroeg mij af welke zonde op deze plaats werd bestraft. Ik vond mijn antwoord aan de bodem van de spiraalvormige trap, waar ik tien galerijen vond die waren uitgehakt in de grond, allen geplaagd door laaghartige, groene, kleine, beestjes.

De Verdoemde kwam omhoog, wiens kwaad zich had verspreid in hun lichamen zodat zij anderen vingen en verslonden die zich in hun bereik bevonden. Ik werd overvallen door een gevoel van misselijkheid, toen een nieuwe galerij zich opende, amper groot genoeg om de grootste van de enorme wormen te laten passeren. Het sprak tot mij: ‘Ik ben Azazel, Prins der Hebzucht. Galadrielle, Aartsengel van Behoud is mijn tegenhanger. Zij die misbruik maken van de genoegens van de eerste behoeften, zij die geen grenzen kennen voor de hoeveelheid die zij nodig hebben voor hun voortbestaan, kom en voeg je bij de rijen van mijn verdoemden.’

Toen voegde het toe: ‘Volg mij’. Het ging terug en groef zich een weg door de galerij. Ik volgde het voor vele mijlen, en het veranderde vaak van richting. De tunnel leidde uiteindelijk naar een grote houtopslag. Ik begreep dat het aan de voet lag van de stenen piek. Azazel, die wachtte nabij de uitgang, begon een nieuwe tunnel te graven. Ik keek rond en zag een soort heuvel. Eromheen lag een gat dat bodemloos leek.

Maar er was wel een bodem ergens daar beneden, ver daarvan kwam een veelheid aan ruwe en scherpe houten staken omhoog tot bijna het niveau waarop ik stond. De Verdoemden werden erboven geplaatst. Zelfs rechtop, moesten zij zich zwaar inspannen om niet te vallen. Maar het vreemdste was dat ze elk in hun armen een schat hielden onvergelijkbaar in waarde en schoonheid. Zij klampten de zware kistjes met goud, grote zakken met onschatbare edelstenen, vast alsof hun leven ervan afhing.

Soms, zorgde een beweging die niet helemaal goed werd uitgevoerd ervoor dat wat van de schat val. Zij die de fout maakten om te proberen hun schat te vangen vielen zonder uitzondering. A vale gele gloed vanaf het gat getuigde van de ontelbare schatten die waren gevallen, en vervloekten degenen die boven het gat stonden, van wie geen ook maar het kleinste deel van de schat wilde verliezen. Sommigen stonden er zonder twijfel al geruime tijd, aangezien hun benen hun spieren begonnen te verliezen. Maar ze dachten niet in het minst aan ontsnappen, vrezend dat dit ertoe zou leiden dat hun goud in het gat zou vallen.

Toen zag ik dat er vanaf het plafond dat er aan een draadje, een gigantische spin van goud, met diamanten ogen afdaalde. Het liet zich vlak naast met zakken, en sprak tot me: ‘Ik ben Beelzebub, Prins der Inhaligheid, Georgie, Aartsengel van Vriendschap, is mijn tegenhanger. Zij wiens zelfzuchtigheid enkel wordt overtroffen door hun minachting voor anderen, kom en voeg je bij de rijen van mijn verdoemden.’ Daarna, zonder nog iets te zeggen, weefde de Demonprins een brug, en verbond daarmee een klein eilandje met de hoek van de houtopslagplaats.

Deel V: De PiekEdit

Aan het einde van de geweven brug was een kleine houten deur. Ik deed de klink naar beneden, maar het ging niet open. Ik worstelde er even mee, voor het eindelijk meewerkte. Het leek een eeuwigheid geleden sinds het voor het laatst was gebruikt. Toen de deur open was, stond ik voor een blauwe, stenen massa. Ik liep erdoor en sloeg mijn ogen op. De piek die ik een tijd geleden zag wees naar de zon, die, vanaf waar ik stond, de hele hemel vulde.

Ik wilde niet eeuwig in de Hel blijven, en beklom dus de rotsige piek. Ik was vele uren aan het klimmen, me optrekkend aan ieder uitsteeksel, en kwam slechts zeer langzaam vooruit vanwege de moeilijke omstandigheden. Ik was niet de enige die deze vreselijke klim probeerde. Vele mensen werden net als ik gekweld door deze moeilijke test. Ze schreeuwen het uit geconfronteerd met deze bovenmenselijke taak, en aantal gaf de moed op.

Zij vonden geen kracht meer om verder te gaan probeerden naar beneden te gaan. Maar het was zelfs nog moeilijker om die kant op te gaan dan naar de top van de blauwe piek. Allen die het opgaven eindigden zo dat ze hun grip verloren en vielen om verpletterd te worden aan de voet van de piek met een vreselijk geluid. Iedere val leek de wil van de overlevenden te verzwakken, maar ik verzamelde mijn moed en zette door. Na een tijde, was ik de enige die worstelde met de klim.

Toen ik zelf dacht dat ik aan het einde van mijn latijn was, en mijn spieren schreeuwden dat ik moest stoppen, zag ik een inham niet ver van mij. Opgetogen door deze onverwachte ontdekken, bewoog ik er snel naar toe. Toen ik arriveerde in deze veilige haven, besloot ik eindelijk naar beneden te kijken, om te zien hoe hoog ik had geklommen. Ik zag de hele maan beneden met mijn ogen, onder blauwe rook vergelijkbaar met wolken. Geen berg op Aarde kon zo hoog zijn! Ik was blij met het resultaat van mijn inspanningen, maar herinnerde mij ook dat er nog een grote afstand was tot de top.

Ik had me laten op de richel om wat te rusten, toen ik iemand hoorde huilen. Ik draaide mijn hoofd en zag een oude man met een grote baard, doordenkt met zijn eigen hete tranen. Zijn lichaam zo droog dat het wel een skelet leek. Het sprak tot me ‘Ik ben Lucifer, Prins van Apathie. Selaphiel, Aartsengel van Plezier, is mijn tegenhanger. Zij die zich overgeven aan spirituele depressie, die passief blijven, die geen vreugde meer scheppen in het leven, en die zich niet meer bewust zijn van hun eigen tevredenheid kom en voeg je bij de rijen van mijn verdoemden, die niet in staat zijn de zon te bereiken.

Achter hem zag ik een grot. Het vertelde me dat er ik heen moest gaan, zonder een woord te zeggen. Een lange geplaveide gang liep in de richting van een metalen deur, met een vreemde vlam in het midden. Ik zocht naar een klink, maar vond er geen. Na lang proberen, liep ik me zakken tegen de deur, uitgeput. Ik hoorde een klein geluidje zoals een bel en de deur opende zich, spleet in tweeën, en de twee helften van deur verzonken in de muur. Zeer verbaasd, keek ik naar binnen en zag een perfecte spiegel, waarin ik zoals gebruikelijk mijn spiegelbeeld zag.

Ik ging naar binnen in de kleine ruimte met de spiegel. Ik hoorde een stem tegen me praten in kalme en rustgevende tonen: ‘Ga je naar boven?’ Ik was geschrokken, verstomd door zo’n vreemde vraag en zag dat een lachende persoon wachtte op het antwoord. We waren samen in kleine ruimte waar hooguit een half dozijn mensen in zou passen. Het was goed verlicht, hoewel het witte licht, dat van het plafon kwam een beetje saai leek. Ik antwoordde, het enige wat ik kon bedenken: ‘Ja’. Daarna legde de persoon zijn vinger op een vierkant waarop de woorden stonden geschreven ‘laatste fase’. De deur sloot zich weer, beide helften voegden zich samen, en ik voelde een beweging alsof ik omhoog ging.

Deel VI: De ZonEdit

Toen de kleine kamer, waar ik was samen met de onbekende persoon, omhoog ging, kreeg ik het onaangename gevoel dat ik zwaarder was dan eerst. Maar toen het stopte, voelde ik een extreem licht moment. Maar, ik was niet groter of kleiner geworden gedurende deze te tijd. De deur splitste zich weer in twee delen, net als eerst. De onbekende draaide zich naar me toe en sprak weer tot me: ‘Je bent gearriveerd’. Het glimlachte vriendelijk en zachtaardig. Dit gaf me nieuwe moed en ik durfde eindelijk te vragen: ‘Wie ben jij?’

Het antwoordde mij: ‘Ik ben de grenswachter, de enige engel die de eeuwigheid verwijderd is van het paradijs. Het is mijn taak om je tot hier te brengen, degenen die nog geen keus hebben gemaakt’. ‘Welke keus?’ vroeg ik verward. Maar, zonder mij te antwoorden, glimlachte het en gebaarde me om door te lopen. Ik besefte me dat ik niet meer informatie van hem zou krijgen, en liep door. Toen ik vertrok sloot de deur zich weer achter mij, de twee delen van de deur kwamen bij elkaar, en ik hoorde de kamer weer zakken.

Ik verwachtte een ideaal landschap te vinden, maar, in plaats daarvan, zag ik de gehate blauwe steen waaruit de infernale piek bestond. Er was een soort terras in uigehakt. I vroeg me af hoe ik verder moest gaan uit wat ik zag als een vervloekte val. Inderdaad, ik had de top bereikt en liep nu geen gevaar meer om naar beneden te vallen. Ik zag een vreemde deur, maar wist niet hoe deze te openen. Ik liet mezelf zakken, huilend, en vroeg mezelf af welke vreselijke zonde ik had begaan om zo bestraft te worden.

Korte tijd later hoorde ik het slaan van vleugels. Ik sloeg mijn ogen op en zag een schitterend spektakel: zeven engelen kwamen aan op het terras. Ik herkende Aartsengel Michael, patroon heilige van Rechtvaardigheid, in volle wapenrustig met een prachtig zwaard in zijn hand en in de andere een groot schild met wonderschone ornamenten. Maar mijn theoretische kennis was beperkt en ik vroeg, beschaamd, wie exact voor mij verschenen. Ik verwachtte afkeuring, maar dit was niet het geval. Ze keken me allemaal zachtaardig en vol liefde aan.

Een van hen kwam naar voren en sprak tot me: ‘Ik ben George, Aartsengel van Vriendschap. De anderen zijn Gabriel, Aartsengel van Matiging, Michael, Aartsengel van Rechtvaardigheid, Uriel Aartsengel van Vrijgevigheid, Galadrielle, Aartsengel van Behoud, Selaphiel, Aartsengel van Plezier en Rapheal, Aartsengel van Overtuiging. Wij zeven, onder opdracht van de Profeet, Aristoteles, en de Messias, Christos, hebben tot taak om de mensen te leiden naar het pad van de deugd, wat hen leidt naar God en zijn Paradijs.

Ik stond tegenover zeven wezens, de meest belangrijke mensen die geboren waren in de geschiedenis, met uitzondering van Aristoteles en Christos. Met zo’n voorrecht kon ik niet anders dan knielen, met mijn gezicht naar de grond. Maar George sprak tot me: Buig niet voor ons: uiteindelijk zijn wij slechts mensen. Enkel God verdient dat eerbetoon. Wij zijn Zijn nederige dienaren, enkel belangrijk voor bewerkstelligen van Zijn heilige wil. Kom met ons, want het uur nadert snel dat je een keuze moet maken. Wij zijn hier om je naar de zon te brengen.

Deel VII: Het ParadijsEdit

De zeven aartsengelen stonden oog in oog met mij. Ze lachten met hun glimlach vol vriendelijkheid, ik keek in hun ogen, hun blik vol tederheid. Voor het eerst sinds ik mijn hond alleen in het veld had achtergelaten, ontspande ik en stond ik mezelf toe om deel te worden van de sereniteit die zij uitstraalden. Zij hielpen mij opstaan en Michael, de meest robuuste, hees me op zijn rug. Ik schaamde me een beetje bij het idee een Aartsengel te berijden zoals een paard. Maar zij lachten, toen de schaamde op mijn gezicht zagen. Een lach, niet spottend, maar vol van vriendschap.

Toen sloegen er zeven paar schitterende vleugels uit. Ze naderden de rand en lieten zich hiervan afvallen. Ik schreeuwde in angst, maar mijn schreeuw werd afgesneden toen de Aartsengelen hun vlucht bijstelden en naar de zon vlogen. Ik kon de gehele maan onder mij zien en ik beloofde mezelf, als die kans aan mij gegeven werd, dat ik altijd zou leven in deugd, volgens de principes van Aristoteles en Christos, om naar te hoeven terugkeren naar die vreselijke plek. Galadrielle glimlachte nog eens naar me en sprak: ‘Het is goed. Je hebt de juiste beslissing genomen. Moge de andere levenden dezelfde maken’

Ik vroeg me af hoe zij kon weten wat ik dacht. Maar mijn gedachten hierover verdwenen snel, omdat ik zeer geïnteresseerd was in het spektakel wat me werd aangeboden. We hadden net de maan verlaten en we vlogen in de ruimte die het scheidt van de zon. Ik kon de sterren nu zien en zij glansden als vele magische spektakels. Ik kon zelfs sterren onderscheiden van wiens bestaan ik niet had geweten, niet in staat om deze te zien vanaf de wereld. De immense zon, die ik nog nooit van zo dichtbij had gezien, nam mijn hele gezichtsveld in beslag. Ik voelde mij als in vlieg in vergelijking met een koe: klein.

We waren nu zo dichtbij de heilige ster dat, vlammen die verschillende mijlen lang waren, ons bijna raakten. Ik vroeg me of ik met de zeven Aartsengelen niet een vrij desastreus einde zou delen. Maar Michael, op wie ik altijd kon bouwen, zei tot mij: ‘Vrees niet dat wat je hier ziet’. Ik zag toen de vlammen die de zon bedekten, zij vormden een geweldig spektakel. Onder deze buitenste laag van vlammen was dat waarover ik mij voornam te spreken sinds mijn tedere kindertijd, maar zonder ooit te weten waaruit het bestond: Paradijs!

We landen op een magische plaats. We baden allen in een zacht licht. Waar ik ook keek ik kon niet het minste duister ontdekken. Zo ver het oog kon zien, waren er geen huizen, noch de minste constructie van enige soort. Zij die hanger hadden plukten van de fruit bomen. Zij die de genoegens van de ontspanning waardeerden rekten zich uit in het gras. Kinderen speelden onschuldig, lachend, rennend door het lange gras. De zeven Aartsengelen vertelde me dat ze me hier moesten achterlaten en dat hun missie was vervuld. Ik bedankte en hen hartelijk en zei ze gedag.

Ik besloot wat rond te lopen en deze betoverde plaats te bekijken. Allen die ik ontmoette, heten mij hartelijk welkom en lachten naar me. Ik lachte terug en bedankten hen. Alles straalde blijdschap, vriendelijkheid en plezier uit. Toen ik een kleine fontein naderde waarvan het water zo helder was dat ik geen weerstand kon bieden aan de drang om me hier verfrissen, zag ik twee mannen in een diepe discussie. Zij zagen mij ook en wenkten mij om hen te naderen. Ik realiseerde me dat tegenover mij niemand minder stonden dan Aristoteles en Christos. Zij omringden mij met de grootste vriendelijkheid. Ze vroegen mij of ik het naar mijn zin had en of ik goede reis had gehad. Ik was zo bewogen dat ik niet kon antwoorden. Ik stamelde een paar vage woorden, terwijl ik probeerde te bevatten wie er tegenover me stonden. Op dit moment hoorde ik een stem.

Deel VIII: De WederopstandingEdit

De stem die ik hoorde, toen ik in het gezelschap was van Aristoteles en Christos, was kalm en doordringend. Zij legden mij uit dat God Zelf het was die mij de noodzakelijke vraag ging stellen. Ik begreep uiteindelijk dat dit het moment was. De heilige stem vroeg mij: ‘Jij, de mens die luistert naar de naam Sypous, jij kwam naar Mij, ontdekte alles dat een mens zal weten na zijn dood. Jij bezocht ieder van de zeven Hellen, waar je iedere Prins-Demon ontmoette. Dit alles werd je getoond in overeenstemming met Mijn wil. Wat leerde jij op je reis?’

Ik antwoordde: ‘Ik begreep de inrichting van de Hellen. Wanneer mensen in deugd leven, zijnde conform uw Heilige woord, overgebracht door de Profeet, Aristoteles, en de Messias, Christos, dan krijgen zij van U het recht om deze plaats te bereiken, Uw Paradijs, de Zon. Als hij zich heeft afgewend zich afwend van de deugd, weigert te luisteren naar uw Heilige woord, zichzelf overgeeft aan aardse genoegens, zelfzuchtigheid, verleiding, valse heiligen, dan brengt Uw oneindige wijsheid U ertoe hem te zenden naar de Hel, de Maan, om daar gestraft te worden in alle Eeuwigheid. U houdt van ons, maar het is ook nodig dat wij van U houden.

God sprak tot mij: ‘Nu komt de tijd dat je een keus moet maken. Je kunt besluiten de dood te accepteren. In dat geval oordeel ik over je leven, de momenten dat je leefde volgens de deugden en de momenten dat je je ervan afwende. Als ik dan oordeel dat je het verdient, dan zul je een eeuwigheid van vreugde en blijdschap mogen meemaken. Maar als ik oordeel dat je leven niet zo deugdzaam was, dan zul je een eeuwigheid aan kwelling moeten doormaken in de Hel. Of, als je denkt dat je tijd nog niet gekomen is, dat je leven nog niet betrouwbaar genoeg is om door Mij te worden goedgekeurd, dan kun je besluiten terug te keren naar het leven.

Ik kon niet antwoorden. Had ik het Paradijs verdiend of zij eindigen in de Hel. Toen hoorde ik stemmen. Zij waren van mijn vrienden, die baden voor de veiligheid van mijn hart. Hoewel ze op de Aarde waren, hoorde ik ze duidelijk. Dit maakte me warm van binnen toen ik merkte dat ze zo bezorgd waren om wat er met mij ging gebeuren. Ik moest ze laten zien dat hun gebeden niet voor niets waren. Ik besloot wederopstanding te aanvaarden, om te leven in deugd en het Paradijs te verdienen. Ik was hen dat schuldig, tenminste zoveel als ik dat mezelf schuldig was.

God sprak toen tot mij: ‘Sinds ik heb besloten om de zielen van de mensen te veranderen in eeuwige ziel, zul je na je dood, beoordeeld worden op de wijze waarop je hebt geleefd door Mij. Ik stel ieder van hen dezelfde vraag. Sommige hebben de voorzichtigheid die jij hebt laten zien, anderen bereiken het Paradijs, terwijl weer anderen de kwaliteit van hun leven overschatten en naar de Hel worden gezonden.

Zij die zoals, zoals jij, kiezen voor wederopstanding, herinneren zich de niet die zij hebben afgelegd na hun dood. Dus veranderd hun gedrag enkel als deze lessen gegraveerd zijn in de kern van hun wezen. Maar, zo dat allen mogen weten wat een vreselijk lot hen te wachten staat als zij afdwalen van Mijn liefde, laat ik je nu die herinneringen. Jij zult kunnen getuigen van je reis en jouw getuigenis zal blijven bestaan eeuw na eeuw. Nu dat je weet wat deze taak is die ik je heb toevertrouwd, keer terug naar je leven, tot je weer hier komt en opnieuw moet kiezen.

Toen vervaagde mijn zicht. Ik had nog net de tijd om Aristoteles en Christos nog eenmaal te zijn voordat ik mijn bewustzijn verloor. Toen ik ontwaakte, in mijn bed, kruiste ik mijn armen voor mij. Om mij heen branden kaarsen en mijn vrienden waren verzonken in oprecht gebed. In tranen, maar duidelijk opgelucht, legden zij me uit wat er was gebeurt in de negen dagen voorafgaand aan mijn dood. Ik stond op, liep naar het raam, en zag de zon de zijn licht uitstraalde over de wereld. Ik vertelde mijn vrienden van de ongelofelijke reis en besloot om alles op schrijven wat ik had gezien gedurende mijn dood.

Sypous

Het Einde der TijdenEdit

Deel I: De DroomEdit

Ik, Ysupso van Alexandrië, vrome gelovige van Egypte, zal u mijn openbaring beschrijven die mij was getoond in een droom. Het mag vreemd lijken een droom te bekijken als een echt voorgevoel, maar het lezen van mijn openbaring zal u aantonen dat dit geen gewone droom was. Ik dank de Allerhoogste om mij deze goddelijke taak toe te vertrouwen om Zijn wil aan de wereld te verkondigen.

Mijn droom begon met een zacht wit licht. Ik had het gevoel dat ik mezelf moest wakker maken en, zoals in de vroege ochtend, verdween beetje bij beetje mijn vermoeidheid. Het licht bracht, langzaamerhand met mijn denkbeeldige wekker, zijn hoop kleurschakeringen. Toen zag ik een groep schepselen, mensen met de grote vleugels van vogels, omgeven door een verlichtende ring. Ze bruisenden van liefde en goedheid. Hun blikken waren vol van aardigheid en gevoeligheid en tederheid.

Ik zag daar bij mij al de mensen die, door hun heilige deugdzame leven, de status van engelen hadden bereikt. Zeven van hen overtroffen hun gezellen door het gevoel van goedheid dat zij uitstralen. Ik herkende zonder problemen de zeven gezegende aartsengelen van God: George, beschermer van de vriendschap, Miguaël, beschermer van de vrijgevigheid, Raphaëlle, beschermster van de overtuiging, Gabriël, beschermer van de soberheid, Michiel, beschermer van de rechtvaardigheid, Selaphiel, beschermer van het plezier, en Galadrielle, beschermster van de bewaring.

Achter hen, zag ik een enorme idylische landschappen. Alles bruisde van grote schoonheid en ik wilde niets liever dan hier blijven tot in de eeuwigheid. Maar het leek vrij leeg. Ik kon de ontelbare verkozenen, die het Paradijs bevolkten, bewonderen. Op hun gelaten zat een uitdrukkingen van grote gelukzaligheid. Het zien van zo'n geluk dat zij die in verdienste leefden vervulde, ik was verheugd voor hen en hoopte dat ook ik hierbij zou mogen horen.

Dan hoorde ik een harde, maar toch serene stem tegen mij zeggen: Zij die je hier ziet zijn zij die wisten hoe zij het Paradijs moesten verdienen, volgens het woord dat ik Aristoteles en Christos toevertrouwde. Maar weet dat de toekomst niet zo helder is voor allen. Ik begreep dat het God Hemzelve was die deze goddelijke boodschap aan tot mij richtte. Vervolgens lieten de engelen mij alleen in gemeenschap met de Allerhoogste. Kijk in de plas met water aan je voeten, zei Hij tot mij.

Ik zag een prachtig land daar. De zachte warmte van de zon koesterde de bomen van de boomgarden, voedde de aren van de gierst, die rechtopstonden, trots, naar de hemel wijzend, en gaf zijn liefde aan de groenten, die weelderig groeiden. Verder, kon ik de koeien zien die zich rustig voedden, vergezeld door de schapen, veilig gehouden door hun herder. De aangename bries verleende zijn kracht aan de molenaar door de wieken van de molen te laten draaien.

De zee voorzag de vissers van veel vis, zodat ze zich konden voedden en zijn landelijke maar zo plezierige geuren, voor zij die het kon appreciëren, konden opnemen. Te midden van dit vredige leven stond een stad, aaneengeknoopt met muren, zwermend van de activiteit. De ambachtslui werkten om aan de noden van de bevolking te kunnen voldoen en de handelaars spraken vol lof over hun goederen aan hun klanten op de markt.

De kinderen speelden, lachend en lopend in de drukke straten. De herbergen waren gevuld van gelach en de geluiden van vloeistoffen die in kruiken werden gegoten. Een kleine groep verzamelde zich rond de burgemeester, die luisterde naar hun vragen en ze beantwoordde. De klokken galmden en grote aantallen van de inwoners verlieten hun huizen om naar de mis te gaan

Deel II: Het KasteelEdit

En vanaf dit punt in de tijd begon de horror.

De hemel verduisterde, omgeven door donkere wolken. De donder schreeuwde, echoend in de rieten huizen. En de regen begon te vallen. Een vloed zoals niemand ooit had gezien stroomde in het land! De vlagen van de wind kolkten en de zee woedde zo machtig dat ik enkele vissers zag verdwijnen onder de wateren. Iedereen dacht toen te gaan schuilen, maar de regen hielt niet op met vallen.

Drie dagen en drie nachten, werkte de regen om alle moeite van de boeren, die hun oogsten verloren zagen gaan, tot niets te brengen. De straten waren veranderd in rivieren. Al het land werd opgeslokt door het water. En de zee dreunde met al zijn macht tegen de stad, vernielende de aanmeerplaatsen, de grootste boten tot zinken brengende en de wrakken hiervan op de kust te laten liggen.

Vervolgens, verdonkerde de hemel nog meer, de stralen van de zon volledig verstikkende en alleen verlicht door de bliksem, wiens donder doorheen al de huizen waarin de mensen bang afwachten weerklonk. De regen werd steeds kouder, wat het veranderde in sneeuw. Het vriezen vervolledigde de vernietiging van de oogsten en de ijzige wind geselde de huizen, waarin de mensen, doodsbang, leden van honger en dorst zonder een woord te durven zeggen.

Dan veranderde de sneeuw in hagel. Deze storm bestond uit enorme hagelstenen, zo groot als de omtrek van een schaal en zo hard als steen. Deze sloegen met al hun kracht in op de muren en stenen gebouwen. De daken leken te lijden onder deze behandeling, maar trachten dit te weerstaan. Dit was niet altijd voldoende, omdat vele huizen instorten op hun ongelukkige bewoners, hun kreten om hulp gingen verloren in het lawaai van de instorting.

Maar het martelaarschap leek te stoppen wanneer de hagel afnam en ten slotte stopte. Langzaamerhand verlieten de mensen hun bescheiden schuilplaatsen en een aantal van hen, uitgeput, gingen naar het kasteel toe, om daar antwoorden te vinden op hun vragen. De priester en de hertog spraken het volk toe. Maar de toespraak van de hertog werd abrupt beëindigd door de instorting van de toren, die hem verpletterde zonder genade of hoop op vergeving.

Inderdaad, de grond begon te beven. En de gekozen ongelukkigen stonden in het pad van het enorme monument. De mensen dachten dan terug te lopen naar hun schuilplaatsen. Maar de verzwakte huizen storten in, een voor een. De straten begaven het, openend in verschillende scheuren, de ongelukkigen opslokkend die in hun vreselijke val liepen. De muren, al door de hagel getroffen, storten in, hun dodentol opeisend.

De hele stad werd beetje bij beetje vernietigd, vele mensen die in paniek scheeuwden achterlatende. Alleen de kerk had de aanvallen van de vrijgelaten elementen doorstaan; het heilige gebouw leek gespaard van de verschrikkingen. De grond stopte met beven en kwam tot rust. Zonder een woord, begaven de overlevenden zich naar het huis van God. De priester was er. Hij preekte over berouw voor de gepleegde zonden. Zijn levensstijl was van goud, maar men voelde de doodsangst in zijn stem dat zijn gebeden niet genoeg waren om hen te helpen. Maar allen luisteren naar de preek van de priester zoals ze nog nooit geluisterd hadden.

Deel III: De KerkEdit

De wind sloeg met harde dreunen tegen de kerk, het liet het gebouw trillen. De hemel, duister en ijzig, was gelvuld met dreigende wolken van herculische proporties. Overal rond de kerk verscheurde de bliksem de lucht, gevolgd door zijn handlanger, de donder, die weerklonk in de angstige harten van de menigte.

De priester bemoedigde de menigte met zijn gebeden. Hij liet hen steeds herinneren dat ze niets te vrezen zouden hebben als ze het goddelijke woord dat hun werd gegeven door de Profeet, Aristoteles, en the Messias, Christos in hun geest hielden. De puurheid van zijn geloof spoorde zijn luisteraars aan tot boetedoening voor hun zonden. En hij herhaald zonder ophouden dat het tijd was voor de zielen vol zonden om de biecht af te leggen. Maar niemand luisterde nog naar hem, de angst verdreef hun gevoel voor rede, en allen keken nu door de glas-in-loodramen van de kerk.

Vanaf dit punt in de tijd viel het derde onheil over hen heen. De wind verdubbelde in kracht, de wind werd een vlaag en de vlaag werd een storm. De vernieling bereikte zijn hoogtepunt wanneer een verschrikkelijke tornado het kerkgebouw aanviel. Deze brak de glas-in-loodramen, en vulde het gebouw met zijn ijzige adem. De scherven gekleurd glas vielen naar beneden als een regen van messen op de ongelukkigen in de kerk.

De tornado hief de kerkbanken op en sloeg ze tegen de muur, waar ze in splinters en houtstukken uit een vlogen. De menigte was verward van angst en botste tegen elkaar op. De standbeelden vielen van hun voetstukken en kwamen neer op de vloer en barsten in duizend stukken. De imposante deuren van de kerk waren enkele eeuwen oud. Zij kenden de gesel des tijds, maar gaven nooit een teken van zwakte hieraan. Maar de tornado liet ze weg vliegen als een strohalm.

Het lawaai van de storm was groter dan het opzeggen van gebeden van de priester. Hij stopte wanneer hij een jong kind zag vallen op de grond. En enorme steunbalk dreigde op het kind te vallen en het te verpletteren. De priester wierp zich naar het kind en duwde het van het pad van de vallende balk. Deze opoffering bleek ongelukkig genoeg nutteloos, omdat het hele gebouw instorte op de inzittenden, van wie maar enkele overlevenden konden ontsnappen.

Deze waren niet de gelukkigen, want zij hadden uiteindelijk het ongeluk op het laatste onheil mee te maken. De stad was niet meer, een veld van puin op de verscheurde grond. De zee was ontketend onder een inktzwarte hemel gespleten door bliksem, de velden, de weiden en de boomgaarden waren verdronken en maar enkele bomen stonden nog min of meer recht.

De overlevenden zagen hoe deze laatsten spontaan vuur vatten. Ze schreeuwen met alle kracht die ze nog hadden. De ijzige wind warmde plots op tot een pijnlijke hitte die zich in de hemel verspreidde. De wolken veranderenden van kleur en weerkaasten de vlammen die zich badden over de stad. Vuur verscheurde alles wat nog overleefde in een gigantische inferno. De ongelukkige mensen die de drie andere onheilen hadden overleefden huilen van de pijn wanneer de woeste inferno hun vlees vernietigde, niets van hun lichamen achterlatend.

Deel IV: Het Goddelijke OordeelEdit

Ik keek op, weg van de plas waar al deze verschrikkelijk beelden zich voor mijn ogen hadden afgespeeld. Ik beefde, de kreeten van het lijden van de arme slachtoffers van de vier onheilen weerklonken in mijn hart. Warme tranen stroomden over mijn gezicht, zo vreselijk was het lot van deze ongelukkigen.

Vervolgens, God, in een zachte en geruststellende stem, zei tegen me: Zie hoe vreselijk het einde van de wereld die je zo graag hebt is. Het zal vernietigd worden door water, aarde, wind en vuur. Maar vrees niet, want, als je deugdzaam bent zal je dit nutteloze lijden gespaard blijven. En zij die leven in verdienste hoeven zich geen zorgen te maken, want Ik vergeet nooit zij die Mij liefhebben. Ik zag inderdaad dat de wolken verdwenen, de wind werd terug kalm en de vlammen stierven. Maar, de grond beefde verder, een prachtig zicht onthullend.

De mannen en vrouwen die hadden geleefd door de gruwelijkheden die ik in de poel had gezien verlieten de wereld, vliegend. Ze waren ontelbaar, elk van hen dichtbij elkaar uit noodzaak, een echte zee van menselijkheid. Ondanks de tijd die ze hadden doorgebracht onder de grond, leken ze een nieuwe jeugd gevonden te hebben. Ze vlogen weg in een fantastische wolk van schepselen om zich bij hun Schepper te vervoegen.

Achter hen zag ik de wereld, een gigantische bol van materie. Al de mensen hadden het achtergelaten. Zijn bodem kraakte, de titanische vlammen rezen op uit de scheuren. Dan, ontplofte de hele wereld. Het verlichtte de andere sterren in een krachtige rode gloed. Tenslotte, in een ongeëvenaarde explosie, vervolledigde het de opdracht die God het had toevertrouwd.

De mensen werden over de sterren verdeeld, op wat men noemt de Melkweg. Ze waren georganiseerd in een rij die eindeloos leek. Sommigen leken blij te wachten op het Goddelijke Oordeel, anderen lietten bittere tranen, ze hadden er spijt van nooit naar de goddelijke woorden van de Profeet Aristoteles en Christos, de Messias, te luisteren. De engelen wachten geduldig op de mensen op de zon. En, op de maan, toonden de demonen hun haat met een gezicht op een verdoemde toekomst.

En God zei tegen mij: Aanschouw. Deze mannen en deze vrouwen wachten nu op het oordeel van hun harten. Ik liet je streven naar een deugdzaam leven en Ik deed het op zo'n manier dat als iemand het deed, het verspreid zou worden naar anderen. Daarin herkende ik de leer van Aristoteles en de woorden van Christos! Dit doel is er altijd al geweest, voegde hij hieraan toe, Mij dienen, Mij eren en Mij liefhebben, maar ook elkaar liefhebben. Ik ben de onzichtbare hand die je leid op je weg, maar een aantal onder jullie weken af van Mijn Woord.

Je word een voor een beoordeeld wanneer je sterft, maar dat is niet altijd het geval. Inderdaad, Ik liet het wezen dat ik niet benoemd heb zijn uitspraak dat de sterken de zwakkeren moeten overheersen bewijzen. Als, nogmaals, je afwijkt naar de Zonden in grote aantallen, zal Ik je getoond heb in de plas water gebeuren. Als je vergeet, de liefde die Ik heb voor jou, en hierdoor, stopt met Mij lief te hebben, zal alles gebeuren zoals je gezien hebt. Als er aan Mijn Woord, verspreid door Aristoteles en Christos, geen aandacht meer wordt gehecht, zal Ik de wereld en al het leven erop vernietigen, omdat de liefde er niet meer zal zijn. Dus, waak erover dat Mijn Woord niet verdwijnt in de putten van vergetelheid van je geheugen.

Omwille van deze reden hebben ik dit alles aan jou geopenbaard. De deugdzaamheid moet elk van je stappen leiden. Iedereen moet de deugdzaamheid doorgeven aan zijn nakomelingen. Zo is het Woord Gods. Je ontsnapt niet van de wijze weg van Zijn Hand, of de dag dat wereld verdwijnt is aangebroken.

Deel V: De VrageEdit

Maar vele vragen waen nog niet beantwoord. Ik vroeg God of hij me verder wilde verlichten, en, in Zijn grote goedheid, stemde Hij toe.

Ik vroeg Hem: Wanneer zullen we beoordeeld worden? Wat zullen de droefheden en de beloningen zijn die we zullen hebben? Hij antwoordde me: Ik besliste, wanneer Ik de mensen tot Mijn kinderen maakte, hen het grootste en mooiste geschenk te geven van allemaal: Ik heb al jullie geesten tot eeuwige zielen gemaakt, zodoende kunnen jullie het Paradijs verdienen als je de leer van Aristoteles en Christos volgt, maar gestraft zullen jullie worden in de Hel als jullie afwijken van de wegen die zij je zijn voorgegaan. Jullie zijn in Mijn rechtszaal van beoordeling door jullie levens. Elke gedachte, elk woord en elke daad beïnvloeden Mijn uiteindelijke oordeel. Wanneer elk van jullie sterft, beslis Ik over jullie eeuwige bestemming. Naar gelang je deugdzaam was of een zondaar zul je de rijen van de uitverkorenen of de vervloekten vervoegen.

Vervolgens vroeg ik Hem: Maar wat zullen de mensen zijn, zij die de zon of de maan bereiken? Zullen we alleen bestaan uit pure geesten? Wat zal er worden van onze lichamen? Wat zijn deze engelen en deze demonen? Hij antwoordde me: Het lichaam kan niet leven zonder de geest en de geest kan niet leven zonder het lichaam, omdat Ik het leven verenigde uit deze twee staten. Wanneer een mens het Paradijs of de Hel bereikt is het lichaam dat hij had op de wereld verlaten van het voeden van het leven en een nieuw lichaam wordt hem in ruil daarvoor gegeven. Deze is evenwaardig aan het beeld van de geest van de mens waaraan het gegeven is: het vertegenwoordigd oftewel de schoonheid ervan oftwel de lelijkheid. De engelen zijn zij die, door hun heiligheid, een lichaam hebben ontvangen dat zo perfect is dat ze Mij mogen helpen in de zon. De demonen zijn zij die leefden in zoveel zonde dat hun lichamen alleen maar horror en beestachtig zijn.

Nog steeds vroeg ik Hem: Het doopsel is het sacrament welke zich erop toelegt om de toegang te verschaffen aan een mens in de gemeenschap van gelovigen. Zonder dit is er geen toegang tot het mogelijke Paradijs. Maar wat zal er gebeuren met de arme kinderen wiens leven beëindigd is voor ze de kans hadden om gedoopt te worden? En Hij antwoordde me: Ik maak je een van de uitverkorenen met je geboorte, omdat je van nature tot mij aangetrokken word. Het zijn je zonden die je van Mijn goddelijke perfectie afdrijven.

Het doopsel maakt het mogelijk voor de deugdzaamheid om de zonden af te kopen; maakt het mogelijk voor de liefde om de apathie te overkomen. De deugdzame die niet gedoopt is zal zijn fouten niet wissen, omdat Ik zijn inkomst bij de gemeenschap van Mijn gelovigen niet heb gezegend. Maar geloof niet dat het feit dat je gedoopt bent je de toestemming geeft te zondigen zonder schaamte. Dit sacrament is alleen betekenis van het leven in deugdzaamheid. Maar allen die niet gedoopt zijn, zijnde kinderen of volwassen, als zij absoluut nooit gezondigd hebben zullen ook zij het Paradijs kunnen bereiken via dezelfde weg.

Tenslotte vroeg ik Hem: Zal het Einde der Tijden hoe dan ook plaats nemen? Hij antwoordde: Nee, Ik zal beslissen om de wereld te vernietigen als de mensen vol zijn van zonden en rede geven aan het wezen dat ik niet benoemd heb. Weet dat de toekomst afhangt van jouw deugdzaamheid. Je moet het Woord dat Ik via Aristoteles en Christos in de wereld heb gestuurd respecteren, omdat, als je je gedraagt zoals de bewoners van Oanylonië, je ondeugden je zullen binden aan het lot van de wereld waarvan je zo houd.

Dan zei God tegen me dat de tijd gekomen was dat ik naar huis moest terugkeren, dat mijn droom ten einde was en dat ik wakker moest worden. Opgelucht van zoveel van God Hemzelf geleerd te hebben, keerde ik terug naar mijn zachte bed, waarin in wakker werd. Nog steeds verstoord door deze openbaring, schreef ik deze boodschap van God in de woorden die Hij me had gegeven om dit te doen.

Ad blocker interference detected!


Wikia is a free-to-use site that makes money from advertising. We have a modified experience for viewers using ad blockers

Wikia is not accessible if you’ve made further modifications. Remove the custom ad blocker rule(s) and the page will load as expected.